T 070 - 390 62 60

Berichten met een Label ‘werkgeversaansprakelijkheid’

AantjesZevenberg, arbeidsrecht,, ketenregeling, vaststellingsovereenkomst

Vrijwilligerswerk en het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 2 BW

Op 15 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarbij ons kantoor in cassatie betrokken is geweest en waarin voor de letselschadepraktijk belangrijke beslissingen zijn genomen.

Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad:

1e dat ook bij vernietiging van een deelgeschilbeschikking het hof in de procedure ten principale de bevoegdheid heeft de zaak aan zich te houden en op de hoofdzaak te beslissen. In dat geval is het arrest van het hof in het hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking een einduitspraak, zodat daartegen cassatieberoep openstaat zonder dat verlof is vereist;

2e dat vrijwilligerswerk niet is uitgesloten van het beschermingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW, óók niet als dat vrijwilligerswerk niet bij een regulier bedrijf, maar bij een kerkgenootschap wordt verricht. Er kan sprake zijn van bedrijfsuitoefening door het kerkgenootschap; dat het werk dat de betrokken vrijwilliger uitvoerde nimmer door werknemers van de kerk zouden zijn uitgevoerd, doet niet ter zake.

Het ging in deze zaak om het volgende. In oktober 2006 is onder leiding van een lid van een parochie een zogenaamde “klusgroep” opgericht. Onze cliënt maakte onderdeel uit van deze klusgroep. Met goedkeuring van het parochiebestuur zou de klusgroep verlichting plaatsen op het dak van de kerk om zo de muur en de toren van de kerk te verlichten. Op een kwade dag in september 2012 heeft cliënt onderzoek gedaan naar de juiste plaatsing van de lampen. Hij is daarbij van het kerkgebouw gevallen, waarbij hij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestaat uit een blijvende dwarslaesie, gebroken ribben, een gebroken nekwervel, een gekneusde pols en een hoofdwond.

Eerst het procedurele aspect.

Door het slachtoffer was de zaak bij wijze van deelgeschil aan de rechter voorgelegd. Er was door hem ook een bodemprocedure aanhangig gemaakt, maar die werd, in afwachting van de beslissing in het inmiddels in de deelgeschilprocedure ingestelde appel aangehouden.

Om van een uitspraak in een deelgeschil in hoger beroep te kunnen komen, is verlof van de rechter vereist. Dat verlof was in casu door de rechtbank verleend.

Een uitspraak in hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking dat is ingesteld op de voet van artikel 1019cc lid 3, aanhef en sub a Rv. (met verlof van de rechter in eerste aanleg) is evenzeer een tussenuitspraak (tenzij het hof met toepassing van artikel 355, tweede volzin, Rv. zelf de zaak heeft afgedaan). Om daarvan beroep in cassatie te kunnen instellen, is dus (evenzeer) rechterlijk verlof vereist. Dat verlof ontbrak. Primair is door ons dan ook niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep bepleit.

De A-G was het met ons eens; zie diens conclusie sub 3.1 t/m 3.7.

Maar de Hoge Raad “redt” het cassatieberoep, door te oordelen dat het hof “klaarblijkelijk” met toepassing van art. 356 Rv de zaak aan zich gehouden en op de hoofdzaak beslist. Dat zo zijnde is het bestreden arrest van het hof in het hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking een einduitspraak, zodat daartegen cassatieberoep openstaat zonder dat verlof is vereist

De Hoge Raad:

“4.1 Art. 1019bb Rv bepaalt dat tegen de beschikking op een deelgeschilverzoek geen voorziening openstaat, onverminderd art. 1019cc lid 3 Rv. Ingevolge art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv kan van zo’n beschikking, voor zover zij (kort gezegd) eindbeslissingen bevat, tussentijds hoger beroep worden ingesteld in de procedure ten principale, mits de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid daartoe heeft geopend. In het arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ingevolge art. 1019cc lid 3 Rv in verbinding met art. 398 Rv ook cassatieberoep openstaat tegen de uitspraak in het hoger beroep dat op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv tegen een deelgeschilbeschikking is ingesteld (rov. 4.5.4). Voor beroep in cassatie tegen een tussenuitspraak is verlof van het gerechtshof vereist, gezien art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv. Een uitspraak in het hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking dat is ingesteld op de voet van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv (met verlof van de rechter in eerste aanleg), is een tussenuitspraak, tenzij het hof – in geval van bekrachtiging van de deelgeschilbeschikking: met toepassing van art. 355, tweede volzin, Rv – zelf de zaak heeft afgedaan. (vgl. rov. 4.5.5van genoemd arrest)

4.2 Uitgangspunt van de zojuist genoemde mogelijkheid tot afdoening van de zaak (in geval van bekrachtiging van de deelgeschilbeschikking) is dat een hoger beroep dat op de voet van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv is ingesteld, heeft te gelden als een tussentijds hoger beroep in de procedure ten principale. Daarom heeft het hof ook bij vernietiging van een deelgeschilbeschikking de bevoegdheid de zaak aan zich te houden (art. 356 Rv). Het is aan zijn beleid overgelaten om de zaak al dan niet terug te wijzen (vgl. HR 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1073, NJ 1994/299).

4.3 Het hof heeft in deze zaak de deelgeschilbeschikking vernietigd en de hiervoor in 3.4 vermelde beslissingen gegeven. Aldus heeft het klaarblijkelijk met toepassing van art. 356 Rv de zaak aan zich gehouden en op de hoofdzaak beslist. Daarover is in cassatie niet geklaagd. Overigens is de keuze van het hof niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de vorderingen in de procedure ten principale overeenkomen met de verzoeken in de deelgeschilprocedure, en gelet op het processuele debat.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat het bestreden arrest van het hof in het hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking een einduitspraak is, zodat daartegen cassatieberoep openstaat zonder dat verlof is vereist.”


Dan de (natuurlijk veel belangrijker) vraag of de betrokken vrijwilliger onder het beschermingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW is te scharen. Door ons is er vanzelfsprekend alles aan gedaan om te bewerkstelligen dat deze vraag positief zou worden beantwoord. Aangevoerd is onder meer het volgende.

Over wat onder beroeps- en bedrijfsactiviteiten moet worden verstaan is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat inzet in het kader van een privésituatie daar niet onder valt. Deze uitzondering moet beperkt worden uitgelegd. In elk geval valt niet in te zien, waarom de activiteiten van de Parochie onder de door eiseressen aangevoerde omstandigheden niet als beroeps- of bedrijfsactiviteiten zouden zijn aan te merken.

Namens de parochie is in cassatie de stelling betrokken dat de activiteiten die door vrijwilligers worden verricht, worden beheerst door het geloof en worden uitgevoerd vanuit sociale en maatschappelijke betrokkenheid. Dit moge zo zijn, maar is voor de aansprakelijkheidsvraag irrelevant. Zulks brengt immers niet mee dat om die reden geen sprake kan zijn van bedrijfsuitoefening en artikel 7:658 lid 4 BW derhalve niet van toepassing is.

De Parochie heeft voorts gesteld dat zij weliswaar enkele personen in dienst heeft, maar dat geen van deze werknemers activiteiten verrichten zoals ter hand genomen door de vrijwilligers van de klusgroep. Deze omstandigheid brengt evenwel niet mee dat artikel 7:658 lid 4 BW niet van toepassing is. Van belang is of het objectief gezien mogelijk is dat de werkzaamheden door werknemers kunnen worden uitgevoerd. Of de Parochie naast de vrijwilligers ook werknemers in dienst heeft, doet bovendien niet ter zake. Ten eerste volgt uit de wetsgeschiedenis niet dat voor toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW vereist is dat naast vrijwilligers ook werknemers op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn binnen het georganiseerd verband. Ten tweede zou het onredelijk zijn dat de vrijwilliger wordt benadeeld door het feit dat de werkgever ervoor heeft gekozen geen werknemers in dienst te nemen, bijvoorbeeld vanwege financiële redenen. Dat de Parochie financieel niet in staat is de werkzaamheden door werknemers te laten uitvoeren mag dan ook geen reden vormen om de vrijwilliger de bescherming van artikel 7:658 lid 4 BW te onthouden.

De Hoge Raad:

“5.3 Uit de parlementaire toelichting op art. 7:658 lid 4 BW kan als bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat de bepaling ertoe strekt bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Dit brengt mee dat art. 7:658 lid 4 BW zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de ‘werkgever’, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. (HR 23 maart 2012, ECLI:HR:2012:BV0616, NJ 2014/414, rov. 3.6.2)

5.4 Uit het voorgaande volgt dat vrijwilligerswerk niet is uitgesloten van het beschermingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW. Beslissend is immers of degene die werkzaamheden verricht, zich bevindt in een met een werknemer vergelijkbare positie en daarom aanspraak heeft op dezelfde door de werkgever in acht te nemen zorg. Dat ook een vrijwilliger zich in deze positie kan bevinden, is in overeenstemming met de opvatting van de minister van SZW, die op een kamervraag antwoordde “dat de zorg van de werkgever voor de veiligheid van de voor hem werkzame personen ingevolge artikel 7:658 BW zich ook tot vrijwilligers uitstrekt.” (Kamerstukken II 2004-2005, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1651).

5.5 Dat de werkzaamheden die [verweerder] als vrijwilliger uitvoerde, nimmer door werknemers van de Parochie zouden zijn uitgevoerd, doet, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, niet ter zake, nu uit de parlementaire toelichting op art. 7:658 lid 4 BW volgt dat volstaat dat de Parochie die werkzaamheden ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten (Kamerstukken II 1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15). De vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent, om ervoor te kiezen het werk te laten verrichten door werknemers of door anderen, behoort niet van invloed te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt (Kamerstukken II 1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6).”


Het arrest is te raadplegen op ECLI:NL:HR:2017:3142.

Lees verder

AantjesZevenberg, arbeidsrecht,, ketenregeling, vaststellingsovereenkomst

Davelaar/Allspan toegepast in de praktijk

Als een ZZP-er wordt ingehuurd door een onderaannemer van de hoofdaannemer, en die ZZP-er overkomt op de bouwplaats een ongeval door toedoen van een andere, door de hoofdaannemer ingehuurde ZZP-er, is die hoofdaannemer dan aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval? Deze vraag speelde de hoofdrol in een onlangs door ons kantoor met goed gevolg behandelde zaak.

De casus: Cliënt is al sinds jaar en dag als zelfstandige werkzaam in de functie van metselaar/lijmer. Op een kwade dag is cliënt bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval overkomen, met ernstig letsel, te weten schedel-hersenletsel tot gevolg. Het ongeval vond plaats op een bouwplaats te Nijkerk waar de hoofdaannemer werkzaam was. De hoofdaannemer had de lijmwerkzaamheden op het project uitbesteed aan metselbedrijf X, die op haar beurt de werkzaamheden had uitbesteed aan Y; dat bedrijf had op haar beurt de lijmwerkzaamheden weer uitbesteed aan cliënt.

Cliënt was doende met het opperen van pallets met daarop kalkzandsteenelementen. Tijdens het hijsen van de pallets met lijmblokken, heeft de eveneens door de hoofdaannemer ingehuurde kraanmachinist niet (goed) op de aanwezigheid van cliënt gelet en heeft een pallet met lijmblokken op het hoofd van cliënt laten zakken, met voornoemd letsel tot gevolg. Is de hoofdaannemer daarvoor aansprakelijk?

Hoofdregel van artikel 7:658 lid 4 BW is dat hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereen¬komst heeft, overeenkomstig de leden 1 t/m 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Dit vierde lid is bij gelegenheid van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid aan artikel 7:658 BW toegevoegd. Aan de wetsgeschiedenis kan worden ontleend, dat de aansprakelijkheid van de inlener wenselijk werd geacht omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door eigen werknemers of door andere, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. Daarbij werd met name gedacht aan uitzendarbeid, uitlening en aanneming van werk, alsmede bepaalde stage-overeenkomsten.

Aan de hand van omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of bepaalde werkzaamheden plaatsvinden in de uitoefening van het bedrijf: door het beschermings-karakter van lid 4 is dat niet beperkt tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever, maar kunnen ook andere werkzaamheden daaronder vallen. Volgens HR 23 maart 2012, BV0616, NJ 2014/414 met annotatie door G.J.J. Heerma van Voss, JA 2012/110 met annotatie door D.M. Gouweloos, JAR 2012/110 met annotatie door prof. mr. W.A. Zondag (Davelaar/Allspan) strekt lid 4 ertoe bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of lid 4 van toepassing is wordt naast een zekere gezagsverhouding de eis gesteld, dat de verrichte werk¬zaamheden tot de activiteiten van de inlener behoren. Dat volgt uit de ratio van lid 4 en waarin dan ook een zekere beperking van het vierde lid is gelegen: indien een werknemer in dienst van een werkgever in de uitoefening van zijn werkzaam¬heden, welke werkzaamheden niet tot de activiteiten van de inlener behoren, schade lijdt, kan ook de inlener niet worden aange¬sproken op grond van het vierde lid. In de Parlementaire Geschiedenis is daarbij het voorbeeld gebruikt van een advocatenkantoor dat opdracht geeft aan een schildersbedrijf om het buitenwerk te schilderen, waarbij een schilder in de uitvoering van die opdracht een ongeval overkomt. Voor die schade is het advocatenkantoor dan niet aan te spreken.

Voor onderhavige zaak is de zeer uitvoerige conclusie van Procureur-Generaal Hammerstein voor Davelaar/ Allspan heel nuttig geweest. Na een zeer uitvoerig exposé over parlementaire geschiedenis, literatuur, feitenrechtspraak en arbeidsomstandighedenwetgeving houdt de P-G in zijn conclusie vast aan de twee elementen dat er (1) sprake moet zijn van een zekere zeggenschap over de uitvoering van de werkzaamheden en (2) dat het moet gaan om werkzaamheden die ook hadden kunnen worden verricht door eigen werknemers. Indien de werkzaamheden niet door eigen werknemers hadden kunnen worden verricht, betekent dit evenwel niet noodzakelijkerwijs dat de werkzaamheden niet zijn gedaan in de uitoefening van het beroep of bedrijf van degene die de werkzaamheden laat verrichten; het hangt van de omstandig¬heden van het geval af welke werkzaamheden wel in meer of mindere mate de bedrijfsvoering dienen van degene die de werkzaamheden laat verrichten en aldus mogelijk worden verricht in zijn of haar beroeps- of bedrijfsuitoefening. Hammerstein deelt daarbij de mening dat uit de Parlementaire Geschiedenis niet volgt dat lid 4 beperkt is tot de “core business” van een onderneming en dat beslissend is welke werkzaamheden tot de beroeps- of bedrijfsuitoefening kunnen worden gerekend van de specifieke onder¬neming van de “werkgever”. De kern van de bepaling bestaat zijns inziens hierin dat de bescherming die de “eigen” werknemers genieten, toekomt aan een persoon als bedoeld in lid 4 juist omdat deze dezelfde soort van werk doet onder omstandigheden die ook zouden gelden voor die werknemers.

De Hoge Raad volgde de A-G daarin – zie met name r.o. 3.8.1
: “Dat de onderhavige reparatie- of revisiewerkzaamheden in het algemeen niet behoren tot de werk¬zaam¬heden die in het verlengde liggen van de verwerking van resthout, sluit op zichzelf niet uit dat sprake is geweest van werkzaamheden “in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf” als bedoeld in art. 7:658 lid 4 BW. Van zodanige werkzaam¬heden is immers ook sprake indien die reparatie- of revisiewerkzaamheden, gelet op de wijze waarop Allspan invulling placht te geven aan haar bedrijf, feitelijk tot haar bedrijfsuitoefening behoorden”.

Het door de A-G aangehaalde argument, dat de kern van lid 4 hierin is gelegen, dat de bescherming die de “eigen” werknemers genieten, toekomt aan een persoon als bedoeld in deze bepaling, juist omdat deze dezelfde soort van werk doet onder omstandigheden die ook zouden gelden voor die werknemers, kon alleen maar in het voordeel van cliënt worden uitgelegd: ook de eigen werknemers zullen zich immers op de bouwplaats hebben bevonden en aan hen had het onderhavige ongeval dan ook evengoed kunnen zijn overkomen, ook al verrichtten deze waarschijnlijk werkzaamheden die tot de speci¬fieke beroeps- en bedrijfsuitoefening van de hoofdaannemer konden worden gerekend. Net als die andere werknemers was cliënt voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk van de hoofdaannemer, was sprake van een (feitelijke) situatie waarin het toezicht op de werk-omstandigheden onder sturing en regie van de hoofdaannemer plaatsvond en was het De hoofdaannemer die had toe te zien op de naleving van de veiligheidsvoorschriften op de bouwplaats.

Dat zulks dan wel degelijk tot aansprakelijkheid leidt toonde reeds het arrest van het Gerechts¬hof Arnhem-Leeuwarden van 21 oktober 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8068): er was ook in die zaak sprake van “een (feitelijke) situatie waarin het toezicht op de werkomstandig¬heden onder sturing en regie van [appellante] plaatsvond en dat het [appellante] was die toezag op de naleving van de veiligheidsvoorschriften op de bouwplaats”. Bovendien was in die zaak, net als in casu, relevant “dat [geïntimeerde] als bouwvakker feitelijk geen bijzondere positie innam maar één van de vele arbeidskrachten was die de bouwplaats bevolkten, terwijl bij de uitvoering van die werkzaamheden gebruik werd gemaakt van door [appellante] ter beschikking gesteld materiaal en materieel. Onder die omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof de conclusie gerechtvaardigd dat [geïntimeerde] voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhan¬ke¬lijk was van [appellante].” En in r.o. 5.16 overweegt het hof terecht, “dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] deze werkzaamheden in opdracht van onder¬aannemer [B] verrichtte, niet (zonder meer) in de weg staat aan de aansprakelijk¬heid van [appellante] als hoofdaannemer”. Het in die zaak berechte geval staat, net als de onderhavige zaak, ook zeer ver verwijderd van het in de Parlementaire geschiedenis genoemde voorbeeld van de schilder die in opdracht van een advocatenkantoor het buitenschilderwerk verzorgt.

De door ons kantoor behandelde zaak was ook zeer vergelijkbaar met die, waarin het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6672) uitspraak heeft gedaan. Ook in die zaak was aan de orde de vraag of de hoofd¬aannemer jegens de getroffen medewerker van een onderaannemer (in die zaak werkzaam als uitzendkracht) op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is, welke vraag het hof (in rechtsoverweging 4.11) bevestigend heeft beantwoord. Daarbij heeft het hof, onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, Davelaar/Allspan, vooropgesteld dat met artikel 7:658 lid 4 BW is beoogd een grondslag voor aansprakelijkheid te bieden indien hij, die in de uit¬oefening van zijn bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeids¬overeenkomst heeft, tekortschiet in het treffen van veiligheids¬maatregelen en degene die de arbeid verricht daardoor schade lijdt. Naar de bedoeling van de wetgever strekt de bepaling ertoe bescherming te bieden aan personen die zich, voor wat betreft de werk¬gever in acht te nemen zorgver¬plich¬tingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Dit brengt mee dat artikel 7:658 lid 4 BW zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten een dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Voor de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW is tevens vereist dat de werkzaam¬heden hebben plaatsgevonden “in de uitoefening van het beroep of bedrijf” van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. Daarbij is de reikwijdte van deze bepaling niet beperkt tot de werk¬zaam¬heden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfs¬uitoefening van de desbetref¬fende opdrachtgever kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen. Mede gelet op het bescher¬mings¬karakter van artikel 7:658 lid 4 BW kunnen daaronder ook andere werk¬zaam-heden vallen, waarbij bepalend is of de verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefe¬ning behoren. Net als in het hiervoor genoemde door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden be¬rechte geval, was de hoofdaannemer in de door ons kantoor behandelde zaak als hoofdaannemer verantwoordelijk voor de veilig¬heid op de werk¬vloer, dat wil zeggen in casu de bouwplaats te Nijkerk. En, net zoals in die zaak, had de hoofdaannemer ervoor gekozen om de werk¬zaam-heden grotendeels in onder¬aanneming aan diverse onderaannemers uit te besteden, maar doet dat aan haar verant¬woordelijkheid voor de veiligheid op de werkvloer niet af. De uitspraak van de rechtbank is nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar dat zal binnenkort waarschijnlijk wel het geval zijn.

Lees verder

AantjesZevenberg, cassatie, medebezitter, schade door dier, aansprakelijkheid

Werkgeversaansprakelijkheid voor gehoorschade

De laatste decennia komt er (gelukkig) steeds meer aandacht voor beroepsziekten en dat vindt ook zijn weerslag in de jurisprudentie. Zo had de Rechtbank Den Haag onlangs te oordelen over een werkneemster van Bakkersland. Deze was in de periode van maart 1986 tot september 2010 bij Bakkersland werkzaam. Tot november 2006 (dat wil dus zeggen gedurende bijna twintig jaar) heeft zij geen gehoorbescherming gedragen. In januari 2000 heeft zij zich tot haar huisarts gemeld met klachten in verband met oorsuizen. Daarvoor heeft zij Bakkersland aansprakelijk gesteld. Bakkersland (althans haar WA-verzekeraar) heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen, waarna de betrokken werkneemster de zaak aan de rechter heeft voorgelegd.

Daarbij heeft Bakkersland allereerst het verweer opgeworpen, dat de rechtsvordering zou zijn verjaard. De rechtbank stelt echter vast, dat tijdig een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden door verzending van een brief in april 2012, zodat beoordeeld moest worden of de werkneemster vijf jaar daarvóór, dat wil dus zeggen in april 2007, daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Het feit, dat betrokkene last had van oorsuizen, wil nog niet zeggen dat zij bekend was met de aansprakelijke persoon en met name hoefde zij niet te verwachten dat zij als gevolg van klachten schade zou lijden door arbeidsongeschiktheid. Het heeft immers, zo heeft de rechtbank vastgesteld, tot 2008 geduurd voordat eiseres zich (definitief) ziek meldde. Het beroep op verjaring wordt daarom verworpen.

Door Bakkersland is ook nog de zogenaamde klachtplicht (ook wel klikplicht genoemd) ex artikel 6:89 BW van stal gehaald, maar sinds de arresten van de Hoge Raad van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4600) maakt dat verweer weinig kans – zo ook in deze zaak (zie daaromtrent ook het lezenswaardige artikel van prof.mr. J.L. Smeehuijzen, Hoe het verjaringsrecht door de klachtplicht wordt opgegeten – en waarom dat erg is, WPNR 28 september 2013/6988, pagina 741 e.v.).

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling: is Bakkersland aansprakelijk voor de door haar werkneemster opgelopen gehoorschade?

Uit artikel 7:658 lid 1 BW volgt dat de werknemer, die zijn werkgever aansprakelijk houdt voor een zorgplichtschending, dient te stellen en zo nodig bewijzen dat zijn schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Op grond van lid 2 van dit artikel dient de werkgever aan te tonen dat hij zijn verplichting om voor veilige arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen. Er moet dus zowel een causaal verband zijn tussen de arbeidsomstandigheden en de schade van de werknemer, als tussen een tekortkoming van de werkgever en die schade. Als dat verband aannemelijk is geworden, kan het oorzakelijk verband tussen de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsklachten aangenomen worden indien de werkgever nagelaten heeft de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden schade lijdt. Eerst moest dus vast komen te staan dat eiseres tijdens haar werkzaamheden bloot heeft gestaan aan lawaai dat de toegestane normen overschreed en moet aannemelijk zijn geworden dat haar gezondheidsschade daardoor is veroorzaakt; daarna kwam aan de orde de vraag of Bakkersland voldoende maatregelen had getroffen.

Als onbetwist staat vast dat eiseres lijdt aan gehoorverlies. Vervolgens stelt de rechtbank vast, dat door de Arbeidsinspectie overtredingen van de toepasselijke normen zijn geconstateerd en dat er sprake is van overschrijdingen van de geluidsnormen. Andere, niet werk-gerelateerde oorzaken, zijn gesteld noch gebleken, zodat het causaal verband tussen het gehoorverlies en de gehoorschade door de rechtbank wordt aangenomen.

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat Bakkersland onvoldoende maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om deze schade te voorkomen. Bakkersland is dus aansprakelijk.

Zie voor enigszins vergelijkbare zaken: Gerechtshof Arnhem 18 augustus 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ5746 (het eerste geval, waarin een orkest aansprakelijk werd gehouden voor de door een orkestlid opgelopen gehoorschade), Gerechtshof Leeuwarden 25 januari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4897 en Gerechtshof Arnhem 18 maart 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC6926.

Lees verder