T 070 - 390 62 60

Berichten met een Label ‘verjaring’

letselschade, immateriële schade, shockschade

Vakantie voor de werknemer is een inspanningsplicht voor de werkgever

Vakantiedagen vervallen niet automatisch

Hoe zit het ook alweer?

Na 1 juli 2012 geldt de regel dat de wettelijke vakantiedagen (4 weken als je voltijds werkt) die een werknemer niet heeft opgenomen, zes maanden na het kalenderjaar waarin ze zijn opgebouwd vervallen. Dit betekent dus dat vakantiedagen die in 2018 zijn opgebouwd en niet zijn opgenomen, per 1 juli 2019 vervallen . Er gelden een paar uitzonderingen. Zo kan de vervaltermijn in een CAO of een schriftelijke overeenkomst worden verlengd. Ook als je echt niet in staat bent om de vakantiedagen op te nemen, geldt deze vervaltermijn niet maar de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar.

Hof van Justitie

Over het al of niet vervallen van vakantiedagen is nu in een Duitse kwestie een belangrijke uitspraak gedaan. Deze uitspraak is direct voor het Nederlandse arbeidsrecht van belang (HvJ, 6 november 2018, Max-Planck/Tetsuji Shimizu ). Het Hof oordeelt dat een werkgever met name gehouden (is) om er concreet en in alle transparantie voor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en hem er zo nodig formeel toe aan te zetten dat te doen. Het Hof laat het daar niet bij, maar gaat verder: Daarbij dient hij de werknemer erover te informeren – op precieze wijze en tijdig, zodat die vakantie de betrokkene nog de rust en ontspanning kan bieden waaraan zij wordt geacht bij te dragen – dat hij de vakantie die aan het einde van de referentieperiode of van een toegestane overdrachtsperiode niet is opgenomen, verliest.

HR: kom in actie!

Een werkgever moet de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid geven om zijn vakantie op te nemen. Dat was al bekend. Maar vakantiedagen vervallen pas echt als HR kan aantonen dat de medewerkers met niet opgenomen vakantiedagen actief en tijdig zijn geïnformeerd. Breng daarom nog voor het einde van het jaar de niet opgenomen vakantiedagen per werknemer in kaart. Informeer daarna de werknemer nauwkeurig over dit aantal en geef bijvoorbeeld aan dat deze dagen in de komende maanden moeten worden opgenomen, omdat ze anders per 1 juli vervallen. Leg het vast als een werknemer desondanks besluit om geen gebruik van zijn recht op vakantie te maken.

Kan een werkgever dit niet bewijzen, dan vervallen de vakantiedagen niet en moeten bijvoorbeeld bij het einde van het dienstverband de niet opgenomen vakantiedagen toch worden uitbetaald. En dat misschien al vanaf 2012. Dat kan dus om een flink bedrag gaan.

Werknemers: check je vervallen vakantiedagen

Het hof noemt het recht op vakantie een wezenlijk beginsel van sociaal recht van de Unie. Dit is zelfs zo belangrijk dat je je als werknemer hierop rechtstreeks kunt beroepen. Ongeacht wat er in de Nederlandse wet staat. Kijk dus nog eens goed naar vervallen vakantiedagen, ook als je uit dienst gaat. Heeft de werkgever je hierover wel geïnformeerd? Grote kans dat die dagen helemaal (nog) niet zijn vervallen.

Lees verder

AantjesZevenberg, voorwaardelijke ontbinding., ontslag, ontslag op staande voet, Hoge Raad

Verjaring in letselschadezaken

Een vordering tot schadevergoeding in letselschadezaken kan slechts worden ingesteld zolang de termijn voor het instellen van deze vordering niet is verlopen. Dit wordt ook wel de verjaringstermijn genoemd.

De wettelijke regeling omtrent verjaring in letselschadezaken

Vóór 1 februari 2004 gold voor letselschadezaken zowel een relatieve als een absolute verjaringstermijn. De relatieve verjaringstermijn bedroeg vijf jaar en begon te lopen op het moment dat het slachtoffer met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was geworden. De absolute verjaringstermijn bedroeg twintig jaar. Na die twintig jaar kon geen vordering meer worden ingesteld, ongeacht of het slachtoffer na verloop van die twintig jaar bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Na verloop van twintig jaar vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis kon het slachtoffer dus geen aanspraak meer maken op schadevergoeding. Voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 1 februari 2004 blijft de bovenstaande regeling gelden (zie artikel 119b Overgangswet BW. Voor ongevallen na die datum geldt de regeling van artikel 3:310 lid 5 BW, waarin slechts de hiervoor genoemde relatieve verjaringstermijn is opgenomen. Voor ongevallen of andere gebeurtenissen met letsel tot gevolg die na voornoemde datum hebben plaatsgevonden, is het dus ook mogelijk dat het slachtoffer na verloop van een termijn van twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis nog een vordering instelt, mits dit gebeurt binnen vijf jaar nadat het slachtoffer bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. In artikel 3:310 lid 5 BW is ook een regeling opgenomen voor wat betreft slachtoffers die minderjarig waren op het moment dat zij bekend werden met de schade en de hiervoor aansprakelijke persoon. Voor die slachtoffers geldt dat de rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag waarop het slachtoffer meerderjarig is geworden. Deze regeling voor minderjarige slachtoffers geldt slechts voor ongevallen die hebben plaatsgevonden na 1 februari 2004.

Verjaring en bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon

Het begrip ‘bekendheid’ (met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon) dient subjectief te worden uitgelegd. Dit betekent dat de verjaringstermijn aanvangt zodra het slachtoffer daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168). Niet is vereist dat absolute zekerheid bestaat over de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar een enkel vermoeden is onvoldoende voor het aanvangen van de verjaringstermijn (HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041). Van het slachtoffer mag worden gevergd dat het slachtoffer eenvoudig onderzoek verricht om te achterhalen wie de aansprakelijke persoon is. Indien het slachtoffer dit heeft nagelaten kan het slachtoffer zich er niet succesvol op beroepen dat de verjaringstermijn niet is aangevangen (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241). Dat het slachtoffer niet bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, staat niet aan het aanvangen van de verjaringstermijn in de weg (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739).

Verkeersongevallen en verjaring

Voor slachtoffers van verkeersongevallen geldt op grond van de WAM (Wet Aansprakelijkheid Motorvoertuigen) een afwijkende regeling voor wat betreft de verjaringstermijn. Op grond van artikel 2 lid 1 WAM dienen de bezitter van een motorrijtuig en degene op wiens naam dit motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven het voertuig te verzekeren. Artikel 6 lid 1 WAM bepaalt dat het slachtoffer het recht op schadevergoeding direct geldend kan maken jegens de verzekeraar van het motorvoertuig (en dus niet de bezitter van het motorrijtuig voor schadevergoeding hoeft aan te spreken). Op grond van artikel 10 lid 1 WAM geldt voor die vordering jegens de WAM-verzekeraar een verjaringstermijn van 3 jaar vanaf het moment van het verkeersongeval.

Medische aansprakelijkheid en verjaring

In geval van medische aansprakelijkheidszaken is veelal niet direct duidelijk of de schade het gevolg is van foutief handelen van de arts. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat zowel door het natuurlijk verloop van de zwangerschap als door het medisch handelen tijdens de bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt. De verjaringstermijn begint dan te lopen op het moment dat voldoende zekerheid is verkregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Dit kan bijvoorbeeld het moment zijn waarop een medisch advies van de medisch adviseur van de advocaat is ontvangen (Rechtbank Rotterdam 31 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM0829).

Verjaring in geval van seksueel misbruik

In geval van seksueel misbruik kan het voorkomen dat de dader het slachtoffer dusdanig geestelijk letsel heeft toegebracht dat het slachtoffer als gevolg van deze psychische toestaand niet in staat is geweest het vorderingsrecht uit te oefenen of dat het slachtoffer door de dader is gedwongen te zwijgen over het misbruik, waardoor het slachtoffer uit angst geen vordering heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in dergelijke gevallen – waarin het niet geldend kunnen maken van de vordering voortvloeit uit omstandigheden die aan de schadeveroorzaker kunnen worden toegerekend – de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat die omstandigheden het geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748). Dit aanvangsmoment kan bijvoorbeeld het moment van aangifte zijn (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748).

Stuiting

Om te voorkomen dat de vordering verjaart, dient de verjaring te worden gestuit. Op het moment van stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De stuiting kan door het slachtoffer worden bewerkstelligd door middel van een daad van rechtsvervolging, zoals het instellen van een eis in rechte (3:316 BW) of een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin het slachtoffer zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 lid 1 BW). Daarnaast wordt de verjaring jegens de schadeveroorzaker gestuit wanneer de schadeveroorzaker het recht van het slachtoffer erkent. Om verjaring van uw vordering tot schadevergoeding te voorkomen is het verstandig een advocaat in te schakelen, bijvoorbeeld een van de letselschadeadvocaten van ons kantoor. Uw advocaat zal de verjaringstermijn nauwlettend in de gaten houden en de verjaringstermijn, indien nodig, stuiten.

Lees verder