T 070 - 390 62 60

Berichten met een Label ‘Letselschade’

AantjesZevenberg, letselschade, immateriële schadevergoeding, erfopvolging, aansprakelijkheidsrecht

De onfortuinlijke molenaar

Onlangs heeft te Hoge Raad uitspraak (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273 (Eiser/De Goudse)) gedaan in een zaak waar ons kantoor als cassatieadvocaten bij betrokken is geweest en die zeker voor de letselschadepraktijk van belang is.

Achtergrond van de zaak

Het ging om het volgende. In september 1989 is een molenaarszoon, eiser in de procedure, betrokken geweest bij een ongeval. Het ongeval heeft voor hem geleid tot whiplash-gerelateerde klachten. De betrokken verzekeraar heeft haar aansprakelijkheid jegens eiser voor de gevolgen van het ongeval erkend.

Voorafgaand aan het ongeval had eiser het diploma Milling Technologist behaald aan de Swiss School of Milling (SMS) in Zwitserland. Op 1 januari 1991 heeft eiser het bedrijf van zijn vader overgenomen en sindsdien heeft hij, als vierde generatie in zijn familie, de watermolen geëxploiteerd.

In opdracht van de betrokken verzekeraar heeft een deskundige een bedrijfseconomisch onderzoek inzake molen verricht. Daarin is, kort samengevat, geconcludeerd dat de financiële opbrengsten van de watermolen gering zijn en een beduidend lager inkomen opleveren dan het wettelijk minimumloon. Een tweede deskundige heeft een bedrijfseconomische analyse van het bedrijf van eiser gemaakt. Het rapport vermeldt dat de mogelijkheden van de onderneming van eiser om een bedrijfseconomisch resultaat te behalen dat structureel boven het bestaansminimum uitkomt, beperkt zijn. In een aanvulling op het rapport is opgemerkt dat een rendabele exploitatie van de watermolen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook in de situatie zonder ongeval niet mogelijk zou zijn geweest.

Tussen partijen is gedurende ongeveer tien jaar – mede op grond van voornoemde rapporten – zonder resultaat onderhandeld over de (begroting van de) schade van eiser. Ook de procedure heeft vele jaren (12½ om precies te zijn) in beslag genomen.

In die procedure heeft eiser aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat hij door het ongeval niet de mogelijkheid heeft gehad om de productie van zijn bedrijf verder uit te bouwen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inkomsten in het molenbedrijf dusdanig laag waren en in de toekomst zullen blijven, dat er door het ongeval geen schade ten gevolge van verlies van arbeidsvermogen is ontstaan. Zij heeft de vorderingen van eiser afgewezen.

Oordeel van het hof

In appel heeft eiser zijn eis vermeerderd en, anders dan aan zijn vorderingen in eerste aanleg, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen in 1988 de watermolen zou zijn gaan exploiteren, dat hij dit gedurende een periode van drie jaar zou hebben gedaan, maar dat hij vanaf juni 1991 een baan elders zou hebben gezocht en gevonden omdat De Poolmolen slechts een resultaat zou genereren op minimaal bestaansniveau..

Het hof heeft de grieven van eiser verworpen en heeft daartoe als volgt overwogen:
“Uit deze onderbouwing van eiser blijkt dat hij zijn vordering enkel baseert op het carrièreverloop en de daarbij behorende salarissen van zijn mede-studiegenoten. Daaruit kan, anders dan eiser stelt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat ook eiser gelet op zijn persoon en zijn ambitie in de hypothetische situatie zonder ongeval daadwerkelijk eenzelfde carrière zou hebben geambieerd, nog daargelaten dat daaruit zonder nadere toelichting evenmin kan worden afgeleid dat eiser in dat geval, gelet op zijn persoonlijkheid en ambitie, erin zou zijn geslaagd een vergelijkbare baan als zijn medestudenten te bemachtigen. Het (…) is het naar het oordeel van het hof aan gerede twijfel onderhevig of eiser , zoals hij stelt, in staat zou zijn geweest een vergelijkbare carrière te realiseren.
Daarbij komt dat eiser tot dusver juist steeds benadrukt heeft hoe belangrijk het overnemen van de molen door hem, als vierde generatie, voor hem was en dat het molenaarsvak hem in het bloed zit. Eiser heeft er geen aannemelijke verklaring voor gegeven dat hij daar nu ineens geheel anders tegenaan kijkt. Temeer nu eiser na ruim 23,5 jaar na het hem overkomen ongeval de grondslag van zijn vordering plotseling en radicaal heeft gewijzigd, had van hem verwacht mogen [worden] dat hij voor zijn stelling dat hij een carrière buiten de molen, zoals zijn studiegenoten van destijds, zou hebben geambieerd concrete, en op zijn specifieke situatie toegespitste, aanknopingspunten zou geven. Nu eiser dit heeft nagelaten, heeft hij onvoldoende gesteld en zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Dit heeft tot gevolg dat een concrete stelling, die, indien bewezen, althans voldoende aannemelijk gemaakt, tot toewijzing van de vordering zou kunnen leiden, ontbreekt. Bewijslevering is mitsdien niet aan de orde. Om die reden wordt de gewijzigde vordering inzake verlies arbeidsvermogen afgewezen.”
Tegen dat oordeel is door ons met succes in cassatie opgekomen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde (onder meer) als volgt.

Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt (HR 15 mei 1998, ECLI:NLHR:1998:ZC2654 , NJ 1998/624 (Vehof/Helvetia); HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277 , NJ 2000/437 (Van Sas/Interpolis)). In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn.

Ook uit het feit dat eiser herhaaldelijk heeft benadrukt hoe belangrijk het overnemen van de molen voor hem was en dat het molenaarsvak hem in het bloed zit, volgt nog niet dat aan gerede twijfel onderhevig is of eiser een vergelijkbare carrière zou hebben gerealiseerd als zijn studiegenoten. eiser heeft immers, anders dan het hof suggereert, een concreet aanknopingspunt gegeven voor zijn – voor het eerst in hoger beroep ingenomen – standpunt dat hij een carrière buiten de molen zou hebben verkozen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn gebleken dat de molen niet rendabel gemaakt kon worden en het onwaarschijnlijk is dat hij onder die omstandigheden deze molen zou zijn blijven exploiteren terwijl hij het diploma van de SMS had behaald.

Deze uitspraak is derhalve een bevestiging van de door de Hoge Raad met zoveel woorden aangehaalde arresten Vehof-Vasters/Helvetia en Sas/Interpolis. Men neme ook vooral kennis van de zeer instructieve conclusie van A-G Hartlief.

Koerswijzing in appel

De Hoge Raad heeft daarnaast conform vaste jurisprudentie geoordeeld dat eiser niet behoefde te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt innam dan in eerste aanleg (zie onder meer HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7319 , NJ 2003/355). Het stond hem immers in beginsel vrij in hoger beroep de grondslag van zijn vordering te wijzigen.

Verwijzingsprocedure

De Hoge Raad verwijst het geding naar het Hof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat na verwijzing op basis van een afweging van de goede en kwade kansen opnieuw moeten worden onderzocht of eiser in de situatie zonder ongeval – en nadat hem gebleken was dat De Poolmolen niet rendabel gemaakt kon worden – bereid en in staat zou zijn geweest een andere carrière te realiseren. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid, maar het oordeel van de rechter dient wel consistent en begrijpelijk te zijn.

Lees verder

AantjesZevenberg, letselschade, immateriële schadevergoeding, erfopvolging, aansprakelijkheidsrecht

De overgang van de vordering tot immateriële schadevergoeding

De vordering tot vergoeding van de door de benadeelde geleden immateriële schade kan onder algemene titel (zoals erfopvolging) overgaan op een ander dan de benadeelde. Dit is slechts mogelijk, indien de benadeelde zelf aan de tegenpartij te kennen heeft gegeven aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding (zie ook HR 20 september 2002, r.o. 3.4.2, NJ 2004/112, m.nt. J.B.M. Vranken en HR 3 februari 2006, NJ 2006/121, r.o. 3.3, NJ 2006/121 ). Maar wat nu als de benadeelde de tegenpartij een brief heeft gezonden waarin hij aangeeft aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding, vervolgens komt te overlijden en onduidelijk is of de brief de tegenpartij heeft bereikt voordat de benadeelde was overleden? Kan de weduwe dan als erfopvolger aanspraak maken op deze immateriële schadevergoeding stellende dat de vordering onder algemene titel op haar is overgegaan? Of is daarvoor vereist dat is komen vast te staan dat de brief van de benadeelde de tegenpartij bereikt heeft voordat de benadeelde overleed? Deze kwestie werd onlangs voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam (25 januari 2017).

De feiten

De feiten in deze zaak waren als volgt. De heer X was enkele jaren werkzaam geweest als scheepsbeschieter bij NDSM. In die periode verrichte Hertel als onderaannemer van NDSM isolatiewerkzaamheden op de scheepswerf. Meer dan veertig jaar later is bij de heer X maligne mesothelioom geconstateerd, een ziekte waarvan de enige bekende oorzaak blootstelling aan asbestvezels is. Het Instituut Asbestslachtoffers heeft de arbeidshistorie van de heer X doorgenomen en is tot de conclusie gekomen dat hij waarschijnlijk tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij NDSM op directe en indirecte wijze aan asbest is blootgesteld. Bij brief van 23 december 2014 heeft de advocaat van de heer X Hertel aansprakelijk gesteld voor de schade die de heer X lijdt als gevolg van de blootstelling aan asbest op de scheepswerf. In deze brief is tevens aangegeven dat de heer X aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding. Op 27 december 2014 is de heer X overleden aan de gevolgen van maligne mesothelioom.

De vordering

Eiseres in deze procedure, de weduwe van de heer X, vorderde een verklaring voor recht dat Hertel jegens de heer X en eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en jegens eiseres daardoor schadeplichtig is geworden, alsmede vergoeding van de materiële schade van eiseres en de immateriële schade van de heer X. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de heer X heeft Hertel aangevoerd dat de vordering niet ingevolge artikel 6:106 lid 2 BW van de heer X op eiseres is overgegaan, aangezien de brief Hertel niet voor het overlijden van de heer X heeft bereikt en de mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding dus geen werking heeft gehad.

De mededeling van aanspraak op immateriële schadevergoeding

Artikel 6:106 BW heeft betrekking op immateriële schade. In artikel 6:106 lid 2 BW is omtrent de vordering tot immateriële schadevergoeding opgenomen: ‘Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.’ De Rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 25 januari 2017 overwogen dat met de term ‘mededeling’ in artikel 6:106 lid 2 BW een mededeling in de zin van artikel 3:37 BW is bedoeld. In artikel 3:37 lid 3 BW is vastgelegd dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon in beginsel moet hebben bereikt. De mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding heeft dus pas werking, wanneer deze mededeling de tegenpartij heeft bereikt. Volgens de rechtspraak geldt daarbij als uitgangspunt dat de mededeling de geadresseerde heeft bereikt wanneer de mededeling door hem is ontvangen (HR 14 juni 2013, r.o. 3.4.3, NJ 2013/391, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai) en is niet van belang of de geadresseerde ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief.

In de onderhavige zaak stond vast dat de brief Hertel had bereikt op enig moment tussen 24 december 2014 (de eerst mogelijke bezorgdatum volgens het normale postverkeer in Nederland) en 7 januari 2015 (het moment waarop Hertel van de inhoud van de brief kennis heeft genomen). Het is dus mogelijk dat de brief Hertel pas na het overlijden van de heer X heeft bereikt.

Het moment van ontvangst van de mededeling is niet doorslaggevend

De rechtbank overwoog dat in de wetgeschiedenis is vastgelegd dat artikel 6:106 lid 2 BW beoogt te voorkomen dat een vordering tot immateriële schadevergoeding tenietgaat voordat daarover overeenstemming is bereikt (bijvoorbeeld wanneer de benadeelde komt te overlijden). De mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding moet door de benadeelde zelf gedaan worden, omdat het een hoogst persoonlijk recht betreft en het niet de bedoeling is dat daaruit ‘kapitaal geslagen’ wordt, wanneer de vergoeding het leed van de benadeelde inmiddels niet meer kan verzachten, omdat deze reeds overleden is.

In de onderhavige zaak heeft de benadeelde (de heer X) zelf aanspraak gemaakt op vergoeding van zijn immateriële schade, kennelijk mede met het doel dat zijn echtgenote deze schadevergoeding zou ontvangen, indien hij op het moment van uitkering van de schadevergoeding reeds overleden zou zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het moment waarop de mededeling wordt gedaan belangrijker is dan het moment waarop deze de aansprakelijke partij bereikt. Bovendien vereist de mededeling van de heer X, in tegenstelling tot andere situaties waarop artikel 3:37 lid 3 BW van toepassing is, zoals de aanvaarding van een aanbod, niet op korte termijn een handeling van Hertel. Hertel wordt dus niet in enig belang geschaad, wanneer de brief Hertel pas na het overlijden van de heer X zou hebben bereikt. Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het moment waarop de mededeling Hertel heeft bereikt, niet doorslaggevend moet worden geacht en dat Hertel schadeplichtig is, ook voor wat betreft de immateriële schade van de heer X.

Lees verder

AantjesZevenberg, aansprakelijkheid, ondergeschikten, zeggenschap, ondergeschiktheid, in- en uitleensituatie

Aanrijding met letsel en de dader rijdt door of is onverzekerd, wat nu?

Indien je het slachtoffer wordt van een aanrijding door een auto, kan in verreweg de meeste gevallen de schade geregeld worden met de verzekeraar van de auto. Helaas gebeurt het met enige regelmaat dat een dader doorrijdt na een ongeval. Als dan ook het kenteken van de auto niet bekend is, zou het slachtoffer zelf op moeten draaien voor de schade. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn als de auto waarmee de dader reed onverzekerd is of gestolen. In dergelijke gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een beroep worden gedaan op het Waarborgfonds Motorverkeer.

Waarborgfonds Motorverkeer

Het Waarborgfonds Motorverkeer is een stichting en wordt gefinancierd door de Nederlandse motorrijtuigenverzekeraars die een gedeelte van de WA-premies afdragen aan het fonds. Het Waarborgfonds Motorverkeer vergoedt de schade van het slachtoffer indien aan één van deze vijf voorwaarden is voldaan:
  1. De dader is doorgereden en de identiteit van de dader is niet te achterhalen;
  2. Het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt is onverzekerd;
  3. Het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt is gestolen en de bestuurder is hiervan op de hoogte;
  4. Het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt is verzekerd, maar de verzekeraar is failliet;
  5. Het motorvoertuig dat de schade heeft veroorzaakt is onverzekerd;
  6. De dader is niet verzekerd omdat hij daar principiële bezwaren tegen heeft en het is voor het slachtoffer niet of slechts gedeeltelijk mogelijk om de schade met de dader te regelen.
Het Waarborgfonds fungeert als het ware als een vangnet voor de slachtoffers die anders met lege handen zouden staan. Voordat het Waarborgfonds overgaat tot vergoeding van de schade, verwacht zij wel van het slachtoffer dat alle andere mogelijkheden om de schade te verhalen benut zijn.

Mocht je als slachtoffer geconfronteerd worden met een dader die na het ongeval doorrijdt, is het van groot belang dat u probeert de dader te achterhalen. Artikel 25 lid 1 sub a van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) bepaalt dat het slachtoffer zich voldoende moet inspannen: hij moet al hetgeen doen wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden. De vraag dringt zich dan op wat dit precies is.

Aangifte doen

In de rechtspraak is bepaald dat alle mogelijkheden om de identiteit van de dader te achterhalen maximaal dienen te worden benut, zodat geen mogelijke aanknopingspunten verloren gaan of onbenut blijven die kunnen leiden tot het vinden van de aansprakelijke partij. Juist in het geval dat er slechts geringe aanknopingspunten zijn, bijvoorbeeld bij een dader die doorrijdt zonder dat het kenteken bekend is, zal met de nodige voortvarendheid aangifte moeten worden gedaan. De politie kan dan bijvoorbeeld een buurtonderzoek verrichten om meer informatie te verkrijgen over de dader. Indien geen of te laat aangifte wordt gedaan is dit niet (meer) mogelijk. Het Waarborgfonds stelt als eis dat er binnen 14 dagen na het ongeval aangifte wordt gedaan. Indien geen of te laat aangifte wordt gedaan kan het Waarborgfonds weigeren een schadevergoeding uit te keren. Dit geldt ook indien betwijfeld kan worden of een eerdere aangifte meer kans op het achterhalen van de dader zou hebben gehad, zie bijvoorbeeld onderstaande uitspraken van respectievelijk de Rechtbank Midden-Nederland en Rechtbank Oost-Nederland in een tweetal deelgeschillen.

Een uitzondering zou kunnen worden gemaakt indien het slachtoffer als gevolg van het letsel niet in staat is om eerder aangifte te doen (of te laten doen). Een dergelijke situatie zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen.

Letselschade

Een claim kan bij het Waarborgfonds worden ingediend tot drie jaar na het ongeval. Van belang is dat je als slachtoffer dus tijdig handelt. In beginsel komt alle materiële en immateriële schade voor vergoeding in aanmerking, dus ook alle uit het ongeval voortvloeiende letselschade, waarbij onder meer te denken valt aan gemaakte medische kosten, reiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp, inkomensverlies en smartengeld.

Belangenbehartiger

Een slachtoffer doet er verstandig aan zich bij de behandeling van zijn schadeclaim door een deskundige belangenbehartiger te laten bijstaan. De in redelijkheid gemaakte kosten voor deze belangenbehartiger zullen door het Waarborgfonds worden voldaan. Als slachtoffer is er dus geen noodzaak om een beroep te doen op de rechtsbijstandverzekering. Je kan je in het geval van een claim op het Waarborgfonds beter wenden tot een gespecialiseerde letselschadeadvocaat, bijvoorbeeld een van de advocaten van ons kantoor. Zij kunnen veel zorgen uit handen nemen en de zaak snel en deskundig voor u oppakken. Mocht u een concrete zaak aan ons kantoor willen voorleggen, kunt u altijd vrijblijvend contact met ons opnemen.

Lees verder

AantjesZevenberg, privacy, zieke werknemer

Verknochtheid van een letselschade-uitkering

Na een echtscheiding dient, indien sprake was van een gemeenschap van goederen, de huwelijkse gemeenschap te worden verdeeld. Aan het Hof ’s-Hertogenbosch werd onlangs de vraag voorgelegd of een (toekomstige) letselschade-uitkering in deze verdeling moet worden betrokken of dat deze vergoeding moet worden aangemerkt als verknocht aan een van de echtgenoten en om die reden slechts die betreffende echtgenoot toekomt. (Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 27 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4284)

Feiten

De feiten waren als volgt. Partijen waren op 29 juni 2007 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Op 9 september 2010 is het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij het uitspreken van de echtscheiding op 16 maart 2011 is partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap. De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is de datum van ontbinding van het huwelijk, te weten 18 april 2011. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap vormt de (toekomstige) letselschade-uitkering van appellante een discussiepunt. De rechtbank heeft de (toekomstige) letselschade-uitkering aan appellante toegedeeld en appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag ter hoogte van de helft van de aan appellante toegekende en nog toe te kennen schadevergoeding, voor zover de vergoeding ziet op materiële schade die kan worden teruggevoerd op de huwelijkse periode. In hoger beroep heeft appellante een grief gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.

Gemeenschap van goederen

Vanaf het moment van de huwelijksvoltrekking bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen (art. 1:94 lid 1 BW). Uitgangspunt is dat de huwelijkse gemeenschap alle goederen omvat van de echtgenoten die bij aanvang van de gemeenschap aanwezig zijn of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, zijn verkregen (artikel 1:94 lid 2). Een van de uitzonderingen op deze hoofdregel is opgenomen in artikel 1:94 lid 3 BW. In dit artikellid is vastgelegd dat goederen die aan een van de echtgenoten op bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Deze verknochtheidsregel dient restrictief te worden toegepast, omdat verknochte goederen een uitzondering vormen op de hoofdregel dat in beginsel alle goederen in de huwelijkse gemeenschap vallen.

Verknochtheid

Volgens vaste rechtspraak ‘hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.’ (HR 23 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0567, NJ 1989/700, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2470, NJ 1998, 693 m.nt. W.M. Kleijn; HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292)

Letselschadevergoeding en verknochtheid

Ten aanzien van letselschadevergoedingen overwoog de Hoge Raad dat voor het antwoord op de vraag of de vergoeding verknocht is aan een van de echtgenoten en deze verknochtheid zich ertegen verzet dat de vergoeding in de gemeenschap valt, niet reeds bepalend is dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. De echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept zal ten minste moeten stellen op welke schade(n) van die echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan oordelen over de verknochtheid van de letselschade-uitkering. Hierbij is van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. (HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2008:AX7805, NJ 2008/258, m.nt. L.C.A. Verstappen; HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/143, m.nt. L.C.A. Verstappen)

In beginsel valt een letselschade-uitkering dus in de gemeenschap van goederen. Slechts wanneer bewezen wordt dat de vergoeding ook betrekking heeft op schade die in de toekomst, na de ontbinding van de gemeenschap, als gevolg van het letsel zal worden geleden, kan de letselschade-uitkering buiten de huwelijksgemeenschap vallen, omdat deze op bijzondere wijze aan een van de echtgenoten verknocht is.

Oordeel hof

Voor letselschade-uitkeringen die zijn ontvangen ten tijde van de huwelijkse gemeenschap geldt dat het (in theorie) mogelijk is dat de vergoeding, vanwege verknochtheid aan een van de echtgenoten, buiten de huwelijksgemeenschap valt. Het Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt hieromtrent het volgende: ‘Wel is om tot verknochtheid te concluderen vereist dat aangetoond wordt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, de in geld ontvangen letselschade-uitkering nog te identificeren is, in die zin dat aangetoond kan worden dat de uit hoofde van letselschade-uitkering ontvangen geldsom geheel of althans voor een deel nog aanwezig is. Daartoe is alleen ruimte indien de ontvangen geldsom te midden van het aanwezige geld nog als een afzonderlijk goed is te onderkennen.’ (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4137)

Het oordeel van het Hof ’s-Hertogenbosch is in lijn met de eerdere rechtspraak ten aanzien van verknochtheid van letselschade-uitkeringen. Ten aanzien van de reeds ontvangen voorschotbedragen oordeelde het hof, anders dan de rechtbank in eerste aanleg, dat deze bedragen op het moment van de peildatum niet meer in de gemeenschap aanwezig waren en dus ook niet verdeeld konden worden. Indien de vergoeding slechts niet meer te identificeren was geweest, zou de vergoeding op grond van de eerder genoemde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden wel deel hebben uitgemaakt van de huwelijksgemeenschap. In de onderhavige zaak was de ontvangen vergoeding echter al aangewend voor het betalen van medische kosten en kon de vergoeding dus ook niet meer verdeeld worden. Voor wat betreft het nog te ontvangen gedeelte van de schadevergoeding oordeelde het hof dat appellant er niet in was geslaagd te bewijzen dat de schadevergoeding ook betrekking had op schade die na de echtscheiding, als gevolg van het letsel, nog zou worden geleden. Het hof heeft dan ook, evenals de rechtbank, het nog resterende gedeelte van de letselschade-uitkering toegedeeld aan appellante en appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag ter grootte van de helft van die uitkering.

Lees verder

AantjesZevenberg, letselschade, voorbehoud, vaststellingsovereenkomst

De onfortuinlijke agent

Een onlangs door ons kantoor behandelde zaak ging om het volgende.

Casus

Onze cliënt is als ambtenaar van politie. Op een bepaald moment kreeg hij opdracht om zich te begeven naar een locatie te Noordwijk, alwaar in een bus van Connexxion overlast werd veroorzaakt door een grote groep jeugdigen. De groep jeugdigen werd gesommeerd om de bus en het betreffende uitgaansgebied te verlaten, waaraan door deze groep geen gevolg werd gegeven. Cliënt en zijn collega’s hebben vervolgens gepoogd enkele van deze jongeren aan te houden. Eén daarvan, de latere gedaagde in de procedure, verzette zich daarbij hevig. Cliënt heeft hem daarbij met zijn rechterarm om zijn nek gepakt in een poging hem onder controle te brengen, met het doel om hem door collega’s te laten afboeien. Ook daarbij verzette de betrokkene zich hevig en sloeg wild om zich heen en gaf cliënt daarbij een harde stomp tegen zijn rechterborst. Als gevolg van deze stomp verloor cliënt het evenwicht, is gestruikeld over een laag parkeerhekje en is vervolgens achterwaarts komen te vallen. Daarbij had cliënt de verdachte nog steeds om zijn nek vast en trok deze zodoende is zijn val mee naar de grond. Daarbij is de rechter borstspier van cliënt afgescheurd, met blijvend letsel tot gevolg.

Oordeel van rechtbank

In de procedure kwam (naast andere kwesties) zowel de causaliteitsvraag als een beroep van de gedaagde verdachte op mogelijke eigen schuld aan de orde. Daaromtrent overwoog de rechtbank als volgt.

Vast staat dat gedaagde het bevel van politieagenten om de bus te verlaten, althans niet weer binnen te gaan, niet heeft opgevolgd en ook dat gedaagde zich vervolgens fysiek tegen zijn aanhouding heeft verzet; gedaagde heeft zich aan de greep van eiser trachten te ontworstelen. Gedaagde heeft dit ter comparitie in wezen erkend met zijn verklaring dat hij ‘misschien niet heeft gereageerd’ en ‘misschien wel heeft geworsteld’. Verder staat vast dat op enige moment tijdens deze worsteling de rechter borstspier van eiser is gescheurd. Partijen hebben gedebatteerd over de vraag welk mechanisme precies de spierscheuring heeft veroorzaakt. Deze vraag behoeft echter in dit verband geen beantwoording. Gedaagde had het bevel niet moeten negeren en had zich in ieder geval niet fysiek tegen zijn aanhouding moeten verzetten. Door dit wel te doen heeft hij het gebruik van geweld door eisernoodzakelijk gemaakt en de kans aanvaard dat eiser daarbij letsel zou oplopen. Deze kans heeft zich verwezenlijkt. Het letsel en de daaruit voortvloeiende schade zouden niet zijn ontstaan indien gedaagde, zoals van hem mocht worden verwacht, het politiebevel niet zou hebben genegeerd en zich tegen zijn aanhouding niet fysiek zou hebben verzet. Aldus heeft gedaagde zich krachtens schuld toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser gedragen en dient gedaagde de schade van eiser die daarvan gevolg is aan eiser te vergoeden, op de voet van artikel 6:162 BW.

De stelplicht en zo nodig de bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden die ter onderbouwing van een beroep op eigen schuld worden aangevoerd rusten op degene die dat beroep doet, in dit geval gedaagde. Gedaagde verwijt eiser dat eiser bij de aanhouding ten onrechte een nekklem heeft aangelegd en de spier is gescheurd mede als gevolg van die nekklem, in combinatie met uitglijden vanwege voor eiser voorzienbare gladheid. Voor de nekklem was geen aanleiding omdat een aantal andere agenten gedaagde al vast en onder controle hadden, aldus gedaagde.

De rechtbank stelt voorop dat eiser, als politieagent, op grond van artikel 8 lid 1 van de ten tijde van het incident vigerende Politiewet 1993 gerechtigd was tot het gebruik van geweld, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Zoals gezegd staat vast dat gedaagde zich fysiek heeft verzet tegen zijn aanhouding door eiser. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt dan niet in te zien dat eiser vanwege de aanwezigheid van andere agenten, dan wel de gladheid, van gebruik van geweld had moeten afzien. Gedaagde heeft verder niet toegelicht waarom het gebruik van een nekklem, althans nekgreep, in de gegeven omstandigheden niet gepast was, in de hierboven bedoelde zin. Bij deze stand van zaken is niet vast komen te staan dat eiser ten onrechte een nekklem heeft toegepast en is voor bewijslevering geen plaats. Het verweer gaat dan ook in zoverre niet op.

Eigen schuld?

Anders dan gedaagde stelt, levert het feit dat eiser zich na het ongeval vanwege zijn klachten en beperkingen heeft laten opereren evenmin grond op voor het aannemen van eigen schuld. Gedaagde heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de door de spierscheuring veroorzaakte klachten en beperkingen mede gevolg zijn van deze operatie. Het enkele feit dat gedaagde deze mogelijkheid zelf “niet uit sluit” is onvoldoende. Bovendien heeft eiser ter comparitie onweersproken verklaard dat hij met de operatie medisch advies heeft opgevolgd. Als de schade al mede gevolg is van de operatie, dan geldt daarom dat die operatie niet een omstandigheid is die aan eiser kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. Het verweer faalt.

Sommenverzekering levert geen te verrekenen voordeel ex art. 6:100 BW op

De gedaagde had in de procedure ook nog aangevoerd, dat het bedrag dat de agent uit een door de politie afgesloten collectieve ongevallenverzekering, in mindering moest worden gebracht op de schade. Ook dat verweer ging niet op.

Verrekening van voordeel is mogelijk voor zover dit redelijk is. Aangenomen dat de verzekeringsuitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor gedaagde aansprakelijk is, is in dit verband het volgende van belang. Indien, zoals hier aan de orde is, de uitkering geschiedt op grond van een sommenverzekering — in welk geval de uitkering niet ervan afhankelijk is of schade is geleden (art. 7:964 BW) en geen subrogatie plaatsvindt — die door een ander, buiten de sfeer van de aansprakelijke persoon is gesloten en betaald, dan komt verrekening in het algemeen niet in aanmerking, nu het bestaan van een zodanige verzekering een aangelegenheid is die de schadeplichtige niet aangaat, waar het afsluiten van een dergelijke verzekering een zuiver individuele en persoonlijke beslissing is, zowel wat betreft de vraag of men een zodanige verzekering zal afsluiten, als wat betreft de vraag voor welke bedragen men zich wenst te verzekeren en welke premie men in verband daarmee bereid is te betalen. De rechter dient bovendien terughoudend te zijn met (volledige) verrekening, indien bij de benadeelde (mede) sprake is van immateriële schade. De verzekering kan zijn aangegaan ter dekking van schadevormen die rechtens of in de praktijk niet voor (volledige) vergoeding in aanmerking komen, of ter aanvulling van bedragen die in voorkomend geval als schadevergoeding, bijvoorbeeld ter zake van smartengeld, zoals hier aan de orde is. Tegen verrekening spreekt verder dat de aansprakelijkheid is gebaseerd op schuld en gedaagde niet een gering verwijt valt te maken. Al met al is de rechtbank van oordeel dat voordeelsverrekening in dit geval niet redelijk is. (Vergelijk HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808, NJ 2013/81 en ook, voor een vergelijkbaar geval, Hof Den Haag, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 22 november 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU7536, VR 2012/107.)

Ook andere verweren worden verworpen. Alle vorderingen worden vervolgens toegewezen, ook die van de politie, die zich aan de zijde van eiser een eigen vordering had ingesteld in verband met de loondoorbetalingsverplichting gedurende de arbeidsongeschiktheid van eiser.

De uitspraak is te vinden op http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:2974

Lees verder