T 070 - 390 62 60

Berichten met een Label ‘aansprakelijkheid’

AantjesZevenberg, aansprakelijkheid, ondergeschikten, zeggenschap, ondergeschiktheid, in- en uitleensituatie

Aansprakelijkheid voor ondergeschikten

Het geschil

Enige tijd geleden heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen met betrekking tot aansprakelijkheid voor een ondergeschikte in geval van een in- en weer uitgeleende werknemer (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345) . De feiten waren als volgt. Aannemingsbedrijf BAM Rail B.V. (hierna: BAM) heeft in opdracht van Prorail onderhoudswerkzaamheden verricht aan het spoor op het baanvak Boxtel-Eindhoven en heeft daarbij gebruikgemaakt van veiligheidsdiensten van JMV. In dit kader heeft JMV aan BAM werknemers ter beschikking gesteld, onder wie een werkterreinbegeleider (WTB-er) die in dienst was bij bedrijf A. Een van de taken van de WTB-er is te controleren of de wissels in de juiste stand staan. In de nacht van 19 op 20 februari 2009 heeft de WTB-er de machinist opgedragen stapvoets te rijden, zodat hij de wissels kon controleren. De WTB-er is bij de controle niet uitgestapt. Vervolgens heeft hij de machinist opgedragen door te rijden. Uiteindelijk heeft de trein een wissel beschadigd, doordat de wissel niet in de juiste stand stond. BAM was verzekerd bij Zürich. Zürich heeft aan ProRail de toegebrachte schade vergoed. In deze procedure vordert Zürich van JMV betaling van het door Zürich betaalde bedrag aan schadevergoeding, stellende dat JMV aansprakelijk is voor de geleden schade. In cassatie wordt onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat JMV ex artikel 6:170 BW voor die schade aansprakelijk is.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW

De aansprakelijkheid voor ondergeschikten is vastgelegd in artikel 6:170 BW . Voor aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW is vereist dat sprake is van een werkgever en een ondergeschikte, een fout van de ondergeschikte met schade tot gevolg en een functioneel verband tussen de fout van de ondergeschikte en zijn werk. Een fout is een toerekenbare onrechtmatige daad. Aangezien in dit geval sprake is van een gevaarzettingssituatie, dient de vraag of sprake is van een fout te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de Kelderluikcriteria. Het oordeel van de Hoge Raad hieromtrent gaat het bestek van deze blog te buiten. Het functioneel verband is in de wettekst als volgt verwoord: de kans op de fout is door de opdracht tot het verrichten van de taak vergroot en degene in wiens dienst de ondergeschikte stond had uit hoofde van hun rechtsbetrekking zeggenschap over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Het gaat dus om twee elementen: het zeggenschapvereiste en het kansvereiste. Zowel het begrip ondergeschikte als het begrip zeggenschap wordt ruim uitgelegd. Zo brengt het bestaan van een arbeidsovereenkomst wel mee dat sprake is van ondergeschiktheid, maar is voor ondergeschiktheid niet steeds een arbeidsovereenkomst vereist. Voldoende is dat sprake is van feitelijke ondergeschiktheid en deze ondergeschiktheid kan zelfs van incidentele aard zijn. Voor zeggenschap is voldoende dat de werkgever in theorie bevoegd is zeggenschap over het gedrag van de ondergeschikte uit te oefenen. Niet van belang is of de werkgever ook daadwerkelijk instructies heeft gegeven. Ook het vereiste van de kansvergroting dient ruim te worden uitgelegd. Het gaat er daarbij niet om of de kans op de fout is vergroot door een opdracht aan de werknemer tot het verrichten van een ‘bepaalde taak’. Getoetst moet worden of tussen de fout van de betrokken werknemer en diens werk in dienstbetrekking een zodanig verband bestaat dat zijn werkgever voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6020, r.o. 4.1-4.2.2, NJ 2010/52, m.nt. M.R. Mok).

Aansprakelijkheid voor ondergeschikten in een in- en uitleensituatie

Wanneer sprake is van een in- en uitleensituatie, rijst de vraag welke werkgever aansprakelijk is ex artikel 6:170 BW , de formele of de materiële werkgever of beide werkgevers? Wanneer de materiële werkgever bevoegd is instructies te geven en de werknemer deze instructies dient op te volgen, kan de materiële werkgever ex artikel 6:170 BW aansprakelijk zijn voor de door een fout van deze werknemer veroorzaakte schade (HR 31 mei 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4869, NJ 1968/323 (Aarts/Nuboer)). De formele werkgever wordt echter in beginsel niet van aansprakelijkheid ontheven doordat de materiële werkgever tijdelijk beschikt over de arbeid van de ondergeschikte en in dat kader aanwijzingen kan geven ten aanzien van de werkzaamheden van de ondergeschikte (HR 17 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4517, NJ 1984/607, m.nt. C.J.H. Brunner). Uitgangspunt is dus dat naast de materiële werkgever ook de formele werkgever aansprakelijk is. Slechts wanneer de formele werkgever alle zeggenschap heeft verloren, is deze niet ex artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de door een fout van een ondergeschikte veroorzaakte schade (HR 17 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4517, NJ 1984/607). Dat de formele werkgever alle zeggenschap heeft verloren zou moeten volgen uit de overeenkomst tussen de formele en de materiële werkgever en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2015/185).

Ruime uitleg van de vereisten voor aansprakelijkheid voor een ondergeschikte

In de onderhavige zaak wordt in cassatie geklaagd dat geen sprake is van ondergeschiktheid, omdat het feit dat JMV de bevoegdheid had de betrokken WTB-er al dan niet uit te lenen, nog niet mee zou brengen dat sprake is van een instructiebevoegdheid. Daarnaast wordt in cassatie geklaagd dat geen sprake zou zijn van een functioneel verband, omdat de algemene oproep- en uitleenbevoegdheid niets zou zeggen over de kansvergroting en de vraag of JMV zeggenschap had over het gedrag van de betrokken WTB-er. De Hoge Raad legt de vereisten voor aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW in lijn met de jurisprudentie ook in de onderhavig zaak ruim uit en oordeelt dat de formele werkgever aansprakelijk is. Zo overweegt de Hoge Raad met betrekking tot de vereiste zeggenschap dat voldoende is dat JMV zeggenschap heeft over de vraag of en wanneer de WTB-er werkzaamheden voor BAM dient uit te voeren (Vgl. HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3070, NJ 1989/896) en met betrekking tot de vereiste kansvergroting dat het ter beschikking stellen van de betrokken WTB-er kan worden aangemerkt als opdracht in de zin van artikel 6:170 BW en dat die opdracht de kans op de fout van de WTB-er heeft vergroot. In veel situaties, waaronder ook de onderhavige in- en uitleensituatie, zal de in de rechtspraak gehanteerde ruime uitleg van de vereisten van het functioneel verband – wanneer de gedraging van de ondergeschikte als een fout dient te worden beschouwd – tot aansprakelijkheid van de (formele) werkgever leiden en zal een beroep op de ontsnappingsmogelijkheid dat geen sprake is van zeggenschap dan ook niet succesvol zijn.

Deze blog is een bewerking van de annotatie die ik bij voornoemde uitspraak schreef voor Personenschade Updates. De volledige annotatie is hier te raadplegen: http://www.ps-updates.nl/commentaar/PS_2017_0597.

Lees verder

AantjesZevenberg, voorwaardelijke ontbinding., ontslag, ontslag op staande voet, Hoge Raad

Aansprakelijkheid wegbeheerder voor voorwerpen op de weg

De uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 heeft betrekking op aansprakelijkheid voor voorwerpen op de weg. In deze uitspraak en de hieraan voorafgaande conclusie van advocaat-generaal Hartlief komt de verhouding tussen artikel 6:174 BW en 6:162 BW aan de orde. (HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283)

Feiten

De feiten waren als volgt. Eiseres is ten val gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer stroomkabels en zij heeft door deze val letsel opgelopen aan haar knieën. Zij heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en heeft haar vordering tot schadevergoeding primair gebaseerd op artikel 6:174 BW, subsidiair op artikel 6:162 BW.

Middel in cassatie

In cassatie richten drie onderdelen zich tegen het oordeel van het hof dat geen aansprakelijkheid van de gemeente bestaat op grond van artikel 6:174 BW. Onder meer wordt gesteld dat het hof had behoren te onderzoeken of de openbare weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, mede gelet op het feit dat daarop een elektriciteitskast van de gemeente was geplaatst die voorzag in de stroomvoorziening van de naastgelegen markt. Daarnaast is in cassatie een onderdeel gericht tegen het oordeel van het hof dat de gemeente niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Het gaat hierbij om klachten over de manier waarop de Kelderluikcriteria zijn toegepast.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat bij het beoordelen van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW gebruik kan worden gemaakt van de Kelderluikcriteria. Dit volgt uit de wetgeschiedenis (Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 752 (nr. 3)) en is later bevestigd in het Wilnis-arrest (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis). Ten aanzien van het beroep op artikel 6:174 BW oordeelt de Hoge Raad dat de aansprakelijkheid van de wegbeheerder slechts op dit artikel gebaseerd kan worden wanneer het gaat om gebreken die verband houden met de verkeersfunctie van de openbare weg’. ‘De aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet behoort tot de weg in de zin van artikel 6:174 BW en dat gevaar schept voor personen of zaken, kan niet worden aangemerkt als een gebrek van de weg’. (HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465 (Rook/Staat)) De aanwezigheid van de stroomkabels op de weg leidt dus niet tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW. De stroomkabels houden immers geen verband met de verkeersfunctie van de openbare weg.

Wanneer aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW niet kan worden aangenomen (bijvoorbeeld omdat de gebreken niet samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg), kan in sommige gevallen een beroep op 6:162 BW uitkomst bieden. Vereist is wel dat de wegbeheerder een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van zijn zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers. Indien de wegbeheerder bekend is met de aanwezig van voorwerpen op de weg, zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid wederom de Kelderluikcriteria van belang. In de onderhavige zaak oordeelde de Hoge Raad dat de toepassing van de Kelderluikcriteria in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht, omdat het oordeel van het hof hieromtrent verweven is met waarderingen van feitelijke aard.

Meerwaarde artikel 6:174 BW ten opzichte van artikel 6:162 BW

Naar aanleiding van het voorgaande, rijst de vraag wat de meerwaarde is van artikel 6:174 BW ten opzichte van artikel 6:162 BW. Immers, bij beide grondslagen komt het aan op de toetsing aan de Kelderluikcriteria. De conclusie van de advocaat-generaal biedt hier verheldering. Een belangrijk verschil is dat bij de toepassing van artikel 6:174 BW de kwaliteit van een zaak (opstal) centraal staat en bij de toepassing van artikel 6:162 BW het handelen of nalaten van een persoon.

Aangezien artikel 6:174 BW betrekking heeft op risicoaansprakelijkheid, is voor het aannemen van aansprakelijkheid niet vereist dat sprake is van een fout of van schuld van de aansprakelijk gestelde persoon. Dit is wel het geval wanneer aansprakelijkheid gebaseerd wordt op artikel 6:162 BW. Dit verschil wordt van belang in geval van subjectieve onbekendheid met het gebrek dat aan de zaak kleeft. Omdat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW vereist is dat een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek, staat subjectieve onbekendheid met het gebrek bij een beroep op artikel 6:162 BW in de weg aan het aannemen van aansprakelijkheid. Indien de aansprakelijkheid echter wordt gebaseerd op artikel 6:174 BW vormt subjectieve onbekendheid geen beletsel voor het aannemen van aansprakelijkheid.

Ook wanneer niet duidelijk is aan wiens fout of schuld het gebrek te wijten is, heeft artikel 6:174 BW meerwaarde ten opzichte van artikel 6:162 BW. Ongeacht de oorzaak van het gebrek, is het voor de benadeelde namelijk mogelijk de bezitter van een gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk te stellen. Wanneer de aansprakelijkheid echter gebaseerd zou worden op artikel 6:162 BW, was wel van belang geweest dat degene die wordt aangesproken een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek. Aangezien veel opstallen een lange levensduur hebben, kan het lastig zijn te achterhalen wie een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek. Artikel 6:174 BW biedt dan uitkomst, doordat volstaan kan worden met te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opstal gebrekkig is, dat de opstal daardoor een gevaar voor personen of zaken oplevert en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Daarnaast stipt de advocaat-generaal terecht aan dat om te bepalen of sprake is van een gebrekkige opstal niet altijd gebruik behoeft te worden gemaakt van de Kelderluikcriteria. De Kelderluikcriteria worden pas van belang wanneer de opstal geschikt is voor haar primaire doel. Wanneer dit niet het geval is, kan het gebrek veelal worden gevonden in de aard van de zaak en hoeft aan toetsing aan de Kelderluikcriteria niet te worden toegekomen.

In de onderhavige zaak had artikel 6:162 BW geen meerwaarde ten opzichte van artikel 6:174 BW. Terecht wijst de advocaat-generaal erop dat de onderdelen 1 tot en met 3, waarin wordt geklaagd dat artikel 6:174 BW ten onrechte niet is toegepast, dus eigenlijk niet van belang zijn. Het maakt voor deze zaak namelijk niet uit of de toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 6:162 BW of in het kader van artikel 6:174 BW. Desondanks heeft deze zaak aanleiding gevormd voor een verhelderende conclusie waarin het belang van artikel 6:174 BW naast artikel 6:162 BW wordt benadrukt en verklaard. De toetsing op grond van de artikelen 6:162 en 6:174 BW kent – door de toepassing van de Kelderluikciteria bij beide artikelen – overlap. Dit neemt echter niet weg dat artikel 6:174 BW de benadeelde in sommige gevallen betere bescherming biedt dan artikel 6:162 BW en dat het gebrekscriterium niet te allen tijde wordt ingevuld door een afweging van de Kelderluikcriteria.

Lees verder