T 070 - 390 62 60

Auteur Archief

AantjesZevenberg, aansprakelijkheid, ondergeschikten, zeggenschap, ondergeschiktheid, in- en uitleensituatie

Aansprakelijkheid voor ondergeschikten

Het geschil

Enige tijd geleden heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen met betrekking tot aansprakelijkheid voor een ondergeschikte in geval van een in- en weer uitgeleende werknemer (HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345) . De feiten waren als volgt. Aannemingsbedrijf BAM Rail B.V. (hierna: BAM) heeft in opdracht van Prorail onderhoudswerkzaamheden verricht aan het spoor op het baanvak Boxtel-Eindhoven en heeft daarbij gebruikgemaakt van veiligheidsdiensten van JMV. In dit kader heeft JMV aan BAM werknemers ter beschikking gesteld, onder wie een werkterreinbegeleider (WTB-er) die in dienst was bij bedrijf A. Een van de taken van de WTB-er is te controleren of de wissels in de juiste stand staan. In de nacht van 19 op 20 februari 2009 heeft de WTB-er de machinist opgedragen stapvoets te rijden, zodat hij de wissels kon controleren. De WTB-er is bij de controle niet uitgestapt. Vervolgens heeft hij de machinist opgedragen door te rijden. Uiteindelijk heeft de trein een wissel beschadigd, doordat de wissel niet in de juiste stand stond. BAM was verzekerd bij Zürich. Zürich heeft aan ProRail de toegebrachte schade vergoed. In deze procedure vordert Zürich van JMV betaling van het door Zürich betaalde bedrag aan schadevergoeding, stellende dat JMV aansprakelijk is voor de geleden schade. In cassatie wordt onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat JMV ex artikel 6:170 BW voor die schade aansprakelijk is.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW

De aansprakelijkheid voor ondergeschikten is vastgelegd in artikel 6:170 BW . Voor aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW is vereist dat sprake is van een werkgever en een ondergeschikte, een fout van de ondergeschikte met schade tot gevolg en een functioneel verband tussen de fout van de ondergeschikte en zijn werk. Een fout is een toerekenbare onrechtmatige daad. Aangezien in dit geval sprake is van een gevaarzettingssituatie, dient de vraag of sprake is van een fout te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de Kelderluikcriteria. Het oordeel van de Hoge Raad hieromtrent gaat het bestek van deze blog te buiten. Het functioneel verband is in de wettekst als volgt verwoord: de kans op de fout is door de opdracht tot het verrichten van de taak vergroot en degene in wiens dienst de ondergeschikte stond had uit hoofde van hun rechtsbetrekking zeggenschap over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Het gaat dus om twee elementen: het zeggenschapvereiste en het kansvereiste. Zowel het begrip ondergeschikte als het begrip zeggenschap wordt ruim uitgelegd. Zo brengt het bestaan van een arbeidsovereenkomst wel mee dat sprake is van ondergeschiktheid, maar is voor ondergeschiktheid niet steeds een arbeidsovereenkomst vereist. Voldoende is dat sprake is van feitelijke ondergeschiktheid en deze ondergeschiktheid kan zelfs van incidentele aard zijn. Voor zeggenschap is voldoende dat de werkgever in theorie bevoegd is zeggenschap over het gedrag van de ondergeschikte uit te oefenen. Niet van belang is of de werkgever ook daadwerkelijk instructies heeft gegeven. Ook het vereiste van de kansvergroting dient ruim te worden uitgelegd. Het gaat er daarbij niet om of de kans op de fout is vergroot door een opdracht aan de werknemer tot het verrichten van een ‘bepaalde taak’. Getoetst moet worden of tussen de fout van de betrokken werknemer en diens werk in dienstbetrekking een zodanig verband bestaat dat zijn werkgever voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk is (HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6020, r.o. 4.1-4.2.2, NJ 2010/52, m.nt. M.R. Mok).

Aansprakelijkheid voor ondergeschikten in een in- en uitleensituatie

Wanneer sprake is van een in- en uitleensituatie, rijst de vraag welke werkgever aansprakelijk is ex artikel 6:170 BW , de formele of de materiële werkgever of beide werkgevers? Wanneer de materiële werkgever bevoegd is instructies te geven en de werknemer deze instructies dient op te volgen, kan de materiële werkgever ex artikel 6:170 BW aansprakelijk zijn voor de door een fout van deze werknemer veroorzaakte schade (HR 31 mei 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4869, NJ 1968/323 (Aarts/Nuboer)). De formele werkgever wordt echter in beginsel niet van aansprakelijkheid ontheven doordat de materiële werkgever tijdelijk beschikt over de arbeid van de ondergeschikte en in dat kader aanwijzingen kan geven ten aanzien van de werkzaamheden van de ondergeschikte (HR 17 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4517, NJ 1984/607, m.nt. C.J.H. Brunner). Uitgangspunt is dus dat naast de materiële werkgever ook de formele werkgever aansprakelijk is. Slechts wanneer de formele werkgever alle zeggenschap heeft verloren, is deze niet ex artikel 6:170 BW aansprakelijk voor de door een fout van een ondergeschikte veroorzaakte schade (HR 17 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4517, NJ 1984/607). Dat de formele werkgever alle zeggenschap heeft verloren zou moeten volgen uit de overeenkomst tussen de formele en de materiële werkgever en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2015/185).

Ruime uitleg van de vereisten voor aansprakelijkheid voor een ondergeschikte

In de onderhavige zaak wordt in cassatie geklaagd dat geen sprake is van ondergeschiktheid, omdat het feit dat JMV de bevoegdheid had de betrokken WTB-er al dan niet uit te lenen, nog niet mee zou brengen dat sprake is van een instructiebevoegdheid. Daarnaast wordt in cassatie geklaagd dat geen sprake zou zijn van een functioneel verband, omdat de algemene oproep- en uitleenbevoegdheid niets zou zeggen over de kansvergroting en de vraag of JMV zeggenschap had over het gedrag van de betrokken WTB-er. De Hoge Raad legt de vereisten voor aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW in lijn met de jurisprudentie ook in de onderhavig zaak ruim uit en oordeelt dat de formele werkgever aansprakelijk is. Zo overweegt de Hoge Raad met betrekking tot de vereiste zeggenschap dat voldoende is dat JMV zeggenschap heeft over de vraag of en wanneer de WTB-er werkzaamheden voor BAM dient uit te voeren (Vgl. HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3070, NJ 1989/896) en met betrekking tot de vereiste kansvergroting dat het ter beschikking stellen van de betrokken WTB-er kan worden aangemerkt als opdracht in de zin van artikel 6:170 BW en dat die opdracht de kans op de fout van de WTB-er heeft vergroot. In veel situaties, waaronder ook de onderhavige in- en uitleensituatie, zal de in de rechtspraak gehanteerde ruime uitleg van de vereisten van het functioneel verband – wanneer de gedraging van de ondergeschikte als een fout dient te worden beschouwd – tot aansprakelijkheid van de (formele) werkgever leiden en zal een beroep op de ontsnappingsmogelijkheid dat geen sprake is van zeggenschap dan ook niet succesvol zijn.

Deze blog is een bewerking van de annotatie die ik bij voornoemde uitspraak schreef voor Personenschade Updates. De volledige annotatie is hier te raadplegen: http://www.ps-updates.nl/commentaar/PS_2017_0597.

Lees verder

AantjesZevenberg, voorwaardelijke ontbinding., ontslag, ontslag op staande voet, Hoge Raad

Verjaring in letselschadezaken

Een vordering tot schadevergoeding in letselschadezaken kan slechts worden ingesteld zolang de termijn voor het instellen van deze vordering niet is verlopen. Dit wordt ook wel de verjaringstermijn genoemd.

De wettelijke regeling omtrent verjaring in letselschadezaken

Vóór 1 februari 2004 gold voor letselschadezaken zowel een relatieve als een absolute verjaringstermijn. De relatieve verjaringstermijn bedroeg vijf jaar en begon te lopen op het moment dat het slachtoffer met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was geworden. De absolute verjaringstermijn bedroeg twintig jaar. Na die twintig jaar kon geen vordering meer worden ingesteld, ongeacht of het slachtoffer na verloop van die twintig jaar bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Na verloop van twintig jaar vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis kon het slachtoffer dus geen aanspraak meer maken op schadevergoeding. Voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 1 februari 2004 blijft de bovenstaande regeling gelden (zie artikel 119b Overgangswet BW. Voor ongevallen na die datum geldt de regeling van artikel 3:310 lid 5 BW, waarin slechts de hiervoor genoemde relatieve verjaringstermijn is opgenomen. Voor ongevallen of andere gebeurtenissen met letsel tot gevolg die na voornoemde datum hebben plaatsgevonden, is het dus ook mogelijk dat het slachtoffer na verloop van een termijn van twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis nog een vordering instelt, mits dit gebeurt binnen vijf jaar nadat het slachtoffer bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. In artikel 3:310 lid 5 BW is ook een regeling opgenomen voor wat betreft slachtoffers die minderjarig waren op het moment dat zij bekend werden met de schade en de hiervoor aansprakelijke persoon. Voor die slachtoffers geldt dat de rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag waarop het slachtoffer meerderjarig is geworden. Deze regeling voor minderjarige slachtoffers geldt slechts voor ongevallen die hebben plaatsgevonden na 1 februari 2004.

Verjaring en bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon

Het begrip ‘bekendheid’ (met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon) dient subjectief te worden uitgelegd. Dit betekent dat de verjaringstermijn aanvangt zodra het slachtoffer daadwerkelijk in staat is een vordering in te stellen (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168). Niet is vereist dat absolute zekerheid bestaat over de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar een enkel vermoeden is onvoldoende voor het aanvangen van de verjaringstermijn (HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041). Van het slachtoffer mag worden gevergd dat het slachtoffer eenvoudig onderzoek verricht om te achterhalen wie de aansprakelijke persoon is. Indien het slachtoffer dit heeft nagelaten kan het slachtoffer zich er niet succesvol op beroepen dat de verjaringstermijn niet is aangevangen (HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241). Dat het slachtoffer niet bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, staat niet aan het aanvangen van de verjaringstermijn in de weg (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739).

Verkeersongevallen en verjaring

Voor slachtoffers van verkeersongevallen geldt op grond van de WAM (Wet Aansprakelijkheid Motorvoertuigen) een afwijkende regeling voor wat betreft de verjaringstermijn. Op grond van artikel 2 lid 1 WAM dienen de bezitter van een motorrijtuig en degene op wiens naam dit motorrijtuig in het kentekenregister is ingeschreven het voertuig te verzekeren. Artikel 6 lid 1 WAM bepaalt dat het slachtoffer het recht op schadevergoeding direct geldend kan maken jegens de verzekeraar van het motorvoertuig (en dus niet de bezitter van het motorrijtuig voor schadevergoeding hoeft aan te spreken). Op grond van artikel 10 lid 1 WAM geldt voor die vordering jegens de WAM-verzekeraar een verjaringstermijn van 3 jaar vanaf het moment van het verkeersongeval.

Medische aansprakelijkheid en verjaring

In geval van medische aansprakelijkheidszaken is veelal niet direct duidelijk of de schade het gevolg is van foutief handelen van de arts. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat zowel door het natuurlijk verloop van de zwangerschap als door het medisch handelen tijdens de bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt. De verjaringstermijn begint dan te lopen op het moment dat voldoende zekerheid is verkregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Dit kan bijvoorbeeld het moment zijn waarop een medisch advies van de medisch adviseur van de advocaat is ontvangen (Rechtbank Rotterdam 31 maart 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM0829).

Verjaring in geval van seksueel misbruik

In geval van seksueel misbruik kan het voorkomen dat de dader het slachtoffer dusdanig geestelijk letsel heeft toegebracht dat het slachtoffer als gevolg van deze psychische toestaand niet in staat is geweest het vorderingsrecht uit te oefenen of dat het slachtoffer door de dader is gedwongen te zwijgen over het misbruik, waardoor het slachtoffer uit angst geen vordering heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in dergelijke gevallen – waarin het niet geldend kunnen maken van de vordering voortvloeit uit omstandigheden die aan de schadeveroorzaker kunnen worden toegerekend – de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat die omstandigheden het geldend maken van de vordering niet langer verhinderen (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748). Dit aanvangsmoment kan bijvoorbeeld het moment van aangifte zijn (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748).

Stuiting

Om te voorkomen dat de vordering verjaart, dient de verjaring te worden gestuit. Op het moment van stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De stuiting kan door het slachtoffer worden bewerkstelligd door middel van een daad van rechtsvervolging, zoals het instellen van een eis in rechte (3:316 BW) of een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin het slachtoffer zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 lid 1 BW). Daarnaast wordt de verjaring jegens de schadeveroorzaker gestuit wanneer de schadeveroorzaker het recht van het slachtoffer erkent. Om verjaring van uw vordering tot schadevergoeding te voorkomen is het verstandig een advocaat in te schakelen, bijvoorbeeld een van de letselschadeadvocaten van ons kantoor. Uw advocaat zal de verjaringstermijn nauwlettend in de gaten houden en de verjaringstermijn, indien nodig, stuiten.

Lees verder

AantjesZevenberg, aansprakelijkheid, ondergeschikten, zeggenschap, ondergeschiktheid, in- en uitleensituatie

De toerekenbaarheid van schade

Onlangs heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over enkele aspecten ten aanzien van de toerekening van schade ex artikel 6:98 BW (HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214) : de invloed van de voorzienbaarheid van de schade op het oordeel omtrent de toerekening van de schade, de invloed van het feit dat een contractspartij bij een tekortkoming waarvoor aansprakelijkheid bestaat niet uit eigen belang heeft gehandeld op het oordeel omtrent de toerekening van de schade en de vraag of de wettelijke rente over de door de schuldenaar verschuldigde som toerekenbaar moet zijn in de zin van artikel 6:98 BW.

De feiten

In cassatie kon worden uitgegaan van de volgende feiten. Partijen drijven elk een onderneming die internationaal actief is in de handel en verhuur van fabrieksnieuwe en gebruikte (bouw)kranen. Eiseres heeft van Liebherr twee kranen gekocht en deze vervolgens doorverkocht aan verweerster. Verweerster heeft in verband hiermee een aanbetaling aan eiseres gedaan. Levering heeft nooit plaatsgevonden, omdat de overeenkomst al voor de levering ontbonden was. Daarnaast hebben partijen een overeenkomst gesloten over een Sennenbogen kraan, eigendom van eiseres. De overeenkomst strekte ertoe dat de kraan door tussenkomst van verweerster werd verhuurd aan een derde partij in een Arabisch land en eiseres voor die partij niet als verhuurder optrad (omdat eiseres niet op eigen naam zaken kon doen met Arabische landen). De kraan is aan die betreffende partij verhuurd en verweerster heeft de huurovereenkomst ondertekend. Eiseres heeft verweerster facturen gestuurd ten aanzien van de huur van de kraan, maar verweerster heeft deze facturen niet voldaan. Daarnaast is de kraan op een bepaald moment vervoerd van de derde partij naar verweerster en heeft eiseres voor dit vervoer de transportkosten betaald.

Het geding in feitelijke instanties

Verweerster heeft in conventie (ten aanzien van de Liebherr kranen) een veroordeling van eiseres tot terugbetaling van de door verweerster gedane aanbetaling van € 446.500,- en tot betaling van € 300.000,– wegens gederfde winst gevorderd. In reconventie heeft eiseres (ter zake van de Liebherr kranen) een verklaring voor recht gevorderd dat de aanbetaling is verrekend, dan wel is opgeschort en alsnog mag worden verrekend. Subsidiair heeft eiseres (ter zake van de Liebherr kranen) betaling gevorderd van onder meer € 111.625,- voor gemiste korting. Voor wat betreft de Sennenbogen kraan heeft eiseres onder meer € 715.000,- voor gederfde huur en € 98.490,- voor transportkosten gevorderd.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toegewezen en in reconventie afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van verweerster in conventie afgewezen en verweerster in reconventie onder meer veroordeeld tot betaling van € 33.500,-. Voor zover in cassatie van belang, wordt het oordeel van het hof in het navolgende besproken.

Toerekening en de voorzienbaarheid van de schade

Het hof heeft overwogen dat verweerster toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens eiseres voor wat betreft de Liebherr kranen. De door eiseres gevorderde schade moet echter worden afgewezen, omdat verweerster uitdrukkelijk heeft afgesproken dat eiseres de kranen aan verweerster verkocht voor dezelfde prijs als die waarvoor Liebherr de kranen aan eiseres heeft verkocht en eiseres heeft verzwegen dat zij bij de aankoop bij Liebherr een korting van 2,5% heeft bedongen. Voor verweerster was niet voorzienbaar dat zij het verzwegen gederfde voordeel als schade zou moeten betalen. De gevorderde schade in de vorm van gemiste korting kan naar het oordeel van het hof niet als schade ten gevolge van de door verweerster gepleegde wanprestatie aan haar worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW.

In cassatie klaagt onderdeel 1.1 dat dit oordeel van het hof omtrent de toerekening in de zin van artikel 6:98 BW onjuist is, omdat het hof voor het oordeel beslissend heeft geacht of de schade voor verweerster voorzienbaar was. Daarmee heeft het hof ten onrechte de leer van de adequate veroorzaking gehanteerd en geen toepassing gegeven aan artikel 6:98 BW. De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dat zij de aangesprokene als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren als de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. In dat kader zal ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was, een rol kunnen spelen (Parl. Gesch. Boek 6, p. 345). De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat de klacht faalt voor zover de klacht inhoudt dat bij toerekening van schade – als geregeld in artikel 6:98 BW – de voorzienbaarheid van het toebrengen van schade niet mag meewegen. Voor zover de klacht erop berust dat het hof zijn oordeel slechts heeft gebaseerd op de voorzienbaarheid van de schade, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers ook de aard van de schade in zijn oordeel betrokken.

Toerekening en het ontbreken van een eigen belang van een contractspartij

Onderdeel 2.2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat, nu verweerster bij de verhuur van de Sennebogen kraan niet uit eigen belang heeft gehandeld (door met de derde partij te contracteren, terwijl eiseres dit zelf niet kon), het feit dat verweerster heeft nagelaten te controleren of de huurovereenkomst door de derde partij wel door een hiertoe bevoegde was ondertekend, haar wel worden verweten, maar dat de haar verweten tekortkoming, mede rekening houdend met alle andere omstandigheden van het geval, niet ertoe dient te leiden dat zij alle door eiseres geleden schade moet vergoeden, en dat alles afwegende de schade tot een bedrag van in totaal € 480.000,– inclusief wettelijke rente tot op de dag van het bestreden arrest, toerekenbaar is aan verweerster. Eiseres klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat het bij de toerekening op grond van art. 6:98 BW gaat om de vraag of voldoende verband bestaat tussen de schade en de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat. Het feit dat een contractspartij bij de tekortkoming waarvoor aansprakelijkheid bestaat, niet uit eigen belang heeft gehandeld, kan een rol spelen bij de beantwoording van de vraag welke eisen in de gegeven omstandigheden aan het verband moeten worden gesteld, maar kan niet op zichzelf ertoe leiden dat slechts een deel van de veroorzaakte schade kan worden toegerekend aan de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat. De omstandigheid dat verweerster niet uit eigen belang heeft gehandeld, kan dus niet het oordeel dragen dat de door tekortkoming veroorzaakte schade slechts tot het door het hof genoemde bedrag als een gevolg van die tekortkoming aan haar kan worden toegerekend. Wel heeft de Hoge Raad opgemerkt dat het hof de omvang van de onderhavige verplichting tot schadevergoeding had kunnen matigen op de voet van artikel 6:109 BW . Echter, ook dan had het hof, mede in het licht van de terughoudendheid die bij toepassing van de matigingsbevoegdheid in acht moet worden genomen, niet kunnen volstaan met de gegeven motivering. Ook deze klacht slaagt derhalve.

Toerekening en wettelijke rente

Ten derde klaagt eiseres dat het hof heeft miskend dat de schuldeiser op grond van artikel 6:119 BW aanspraak heeft op wettelijke rente over de door de schuldenaar verschuldigde som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest en dat voor het bestaan van deze aanspraak niet ter zake doet of die wettelijke rente al dan niet kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Het hof had op de ingevolge artikel 6:119 BW door verweerster aan eiseres verschuldigde wettelijke rente dan ook niet op grond van artikel 6:98 BW een afslag mogen toepassen. Ook deze klacht slaagt. Het hof heeft bij het toewijsbaar geoordeelde bedrag geen onderscheid gemaakt tussen de schade en de wettelijke rente daarover. Bij wettelijke rente gaat het om een door de wet gefixeerde schadevergoeding. Deze aard van de schadevergoeding brengt eens te meer mee dat van de bevoegdheid tot matiging van wettelijke rente terughoudend gebruik behoort te worden gemaakt (HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220, r.o. 3.5.4, NJ 2007/481, m.nt. J. Hijma. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, blz. 449). Om die reden moeten de hoofdsom en de rente afzonderlijk worden vastgesteld en moet voor matiging van de wettelijke rente een afzonderlijk, gemotiveerd oordeel worden gegeven.

Lees verder

AantjesZevenberg, letselschade, immateriële schadevergoeding, erfopvolging, aansprakelijkheidsrecht

De overgang van de vordering tot immateriële schadevergoeding

De vordering tot vergoeding van de door de benadeelde geleden immateriële schade kan onder algemene titel (zoals erfopvolging) overgaan op een ander dan de benadeelde. Dit is slechts mogelijk, indien de benadeelde zelf aan de tegenpartij te kennen heeft gegeven aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding (zie ook HR 20 september 2002, r.o. 3.4.2, NJ 2004/112, m.nt. J.B.M. Vranken en HR 3 februari 2006, NJ 2006/121, r.o. 3.3, NJ 2006/121 ). Maar wat nu als de benadeelde de tegenpartij een brief heeft gezonden waarin hij aangeeft aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding, vervolgens komt te overlijden en onduidelijk is of de brief de tegenpartij heeft bereikt voordat de benadeelde was overleden? Kan de weduwe dan als erfopvolger aanspraak maken op deze immateriële schadevergoeding stellende dat de vordering onder algemene titel op haar is overgegaan? Of is daarvoor vereist dat is komen vast te staan dat de brief van de benadeelde de tegenpartij bereikt heeft voordat de benadeelde overleed? Deze kwestie werd onlangs voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam (25 januari 2017).

De feiten

De feiten in deze zaak waren als volgt. De heer X was enkele jaren werkzaam geweest als scheepsbeschieter bij NDSM. In die periode verrichte Hertel als onderaannemer van NDSM isolatiewerkzaamheden op de scheepswerf. Meer dan veertig jaar later is bij de heer X maligne mesothelioom geconstateerd, een ziekte waarvan de enige bekende oorzaak blootstelling aan asbestvezels is. Het Instituut Asbestslachtoffers heeft de arbeidshistorie van de heer X doorgenomen en is tot de conclusie gekomen dat hij waarschijnlijk tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden bij NDSM op directe en indirecte wijze aan asbest is blootgesteld. Bij brief van 23 december 2014 heeft de advocaat van de heer X Hertel aansprakelijk gesteld voor de schade die de heer X lijdt als gevolg van de blootstelling aan asbest op de scheepswerf. In deze brief is tevens aangegeven dat de heer X aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding. Op 27 december 2014 is de heer X overleden aan de gevolgen van maligne mesothelioom.

De vordering

Eiseres in deze procedure, de weduwe van de heer X, vorderde een verklaring voor recht dat Hertel jegens de heer X en eiseres onrechtmatig heeft gehandeld en jegens eiseres daardoor schadeplichtig is geworden, alsmede vergoeding van de materiële schade van eiseres en de immateriële schade van de heer X. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de heer X heeft Hertel aangevoerd dat de vordering niet ingevolge artikel 6:106 lid 2 BW van de heer X op eiseres is overgegaan, aangezien de brief Hertel niet voor het overlijden van de heer X heeft bereikt en de mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding dus geen werking heeft gehad.

De mededeling van aanspraak op immateriële schadevergoeding

Artikel 6:106 BW heeft betrekking op immateriële schade. In artikel 6:106 lid 2 BW is omtrent de vordering tot immateriële schadevergoeding opgenomen: ‘Voor overgang onder algemene titel is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.’ De Rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 25 januari 2017 overwogen dat met de term ‘mededeling’ in artikel 6:106 lid 2 BW een mededeling in de zin van artikel 3:37 BW is bedoeld. In artikel 3:37 lid 3 BW is vastgelegd dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon in beginsel moet hebben bereikt. De mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding heeft dus pas werking, wanneer deze mededeling de tegenpartij heeft bereikt. Volgens de rechtspraak geldt daarbij als uitgangspunt dat de mededeling de geadresseerde heeft bereikt wanneer de mededeling door hem is ontvangen (HR 14 juni 2013, r.o. 3.4.3, NJ 2013/391, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai) en is niet van belang of de geadresseerde ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief.

In de onderhavige zaak stond vast dat de brief Hertel had bereikt op enig moment tussen 24 december 2014 (de eerst mogelijke bezorgdatum volgens het normale postverkeer in Nederland) en 7 januari 2015 (het moment waarop Hertel van de inhoud van de brief kennis heeft genomen). Het is dus mogelijk dat de brief Hertel pas na het overlijden van de heer X heeft bereikt.

Het moment van ontvangst van de mededeling is niet doorslaggevend

De rechtbank overwoog dat in de wetgeschiedenis is vastgelegd dat artikel 6:106 lid 2 BW beoogt te voorkomen dat een vordering tot immateriële schadevergoeding tenietgaat voordat daarover overeenstemming is bereikt (bijvoorbeeld wanneer de benadeelde komt te overlijden). De mededeling dat aanspraak wordt gemaakt op immateriële schadevergoeding moet door de benadeelde zelf gedaan worden, omdat het een hoogst persoonlijk recht betreft en het niet de bedoeling is dat daaruit ‘kapitaal geslagen’ wordt, wanneer de vergoeding het leed van de benadeelde inmiddels niet meer kan verzachten, omdat deze reeds overleden is.

In de onderhavige zaak heeft de benadeelde (de heer X) zelf aanspraak gemaakt op vergoeding van zijn immateriële schade, kennelijk mede met het doel dat zijn echtgenote deze schadevergoeding zou ontvangen, indien hij op het moment van uitkering van de schadevergoeding reeds overleden zou zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het moment waarop de mededeling wordt gedaan belangrijker is dan het moment waarop deze de aansprakelijke partij bereikt. Bovendien vereist de mededeling van de heer X, in tegenstelling tot andere situaties waarop artikel 3:37 lid 3 BW van toepassing is, zoals de aanvaarding van een aanbod, niet op korte termijn een handeling van Hertel. Hertel wordt dus niet in enig belang geschaad, wanneer de brief Hertel pas na het overlijden van de heer X zou hebben bereikt. Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het moment waarop de mededeling Hertel heeft bereikt, niet doorslaggevend moet worden geacht en dat Hertel schadeplichtig is, ook voor wat betreft de immateriële schade van de heer X.

Lees verder

AantjesZevenberg, cassatie, medebezitter, schade door dier, aansprakelijkheid

Medebezitter aansprakelijk voor schade door dier

In een deelgeschilprocedure oordeelde de Rechtbank Den Haag (Rechtbank Den Haag 22 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14755) over de aansprakelijkheid voor letselschade van een van de echtgenoten, veroorzaakt door het paard van het echtpaar. Het slachtoffer doet een beroep op de koetsiersverzekering van zijn echtgenote. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de rechtsregel uit het Hangmat-arrest – inhoudende dat een medebezitter aansprakelijk kan zijn voor schade geleden door een andere medebezitter ingeval de schade is veroorzaakt door een gebrekkige opstal – niet analogisch van toepassing is op aansprakelijkheid voor dieren en dat de echtgenote dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Dit verweer gaat volgens de rechtbank echter niet op.

Hangmat-arrest: aansprakelijkheid van de medebezitter

Het Hangmat-arrest (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465) heeft betrekking op schade geleden door een medebezitter als gevolg van een gebrekkige opstal. Een jonge vrouw had letselschade opgelopen doordat een gemetselde pilaar bovenop haar was gevallen toen zij in haar tuin in een hangmat lag. De vrouw en haar echtgenoot waren gezamenlijk bezitter van de opstal. De vrouw deed een beroep op de door haar en haar echtgenoot gezamenlijk afgesloten aansprakelijkheidsverzekering, stellende dat haar echtgenoot als medebezitter jegens haar aansprakelijk was voor de door haar geleden schade. De Hoge Raad oordeelde dat in geval van schade als gevolg van een gebrekkige opstal, geleden door een bezitter zelf, de medebezitters jegens het slachtoffer aansprakelijk kunnen zijn op grond van artikel 6:174 BW. Wel dient het slachtoffer zelf dat deel van de schade te dragen dat overeenkomt met zijn of haar aandeel in de opstal. Indien aan de zijde van het slachtoffer sprake is van nalatigheid of onachtzaamheid, kan bovendien een groter deel van de geleden schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van het slachtoffer worden gelaten.

Hangmat-beslissing niet voor aansprakelijkheid voor dieren

Naar aanleiding van dit arrest rees de vraag of aansprakelijkheid van een medebezitter jegens een benadeelde medebezitter ook geldt in geval van aansprakelijkheid voor dieren in de zin van artikel 6:179 BW . De Hoge Raad heeft – onder verwijzing naar het verschil in de aard en de ratio van de aansprakelijkheid en naar het verschil in verzekerbaarheid van de schade tussen de beide risicoaansprakelijkheden – geoordeeld dat de rechtsregel die voortvloeit uit het Hangmat-arrest niet van toepassing is op aansprakelijkheid voor dieren (HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162, NJ 2016/173) . Eerder was de Rechtbank Den Haag al diezelfde visie toegedaan (Rechtbank Den Haag, 4 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2443, JA 2015/79).

Rechtbank Den Haag: medebezitter wel aansprakelijk voor schade door dier

De Rechtbank Den Haag werd onlangs wederom de vraag voorgelegd of een medebezitter aansprakelijk is voor de schade geleden door een andere medebezitter toegebracht door een gedraging van een dier. Verzoeker en verweerster zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Tot de gemeenschap van goederen behoort een paard dat getraind is om als trekpaard voor een koets te lopen. Verweerster beschikt over een koetsiersbewijs. Tijdens een koetsritje van het echtpaar en hun dochter is het paard onrustig geworden, waarna verzoeker naast het paard is gaan lopen. Verzoeker is toen door het paard tegen een auto aangeduwd die vanuit tegengestelde richting kwam aanrijden, waarna de koets over de benen van verzoeker is gereden. Het rechterbeen van verzoeker is hierbij verbrijzeld. Verzoeker doet een beroep op de door verweerster afgesloten koetsiersverzekering. De verzekeraar stelt niet aansprakelijk te zijn voor de door verzoeker geleden schade en verwijst daarbij naar de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat de Hangmat-beslissing niet analogisch van toepassing is op aansprakelijkheid voor dieren. Deze zaak verschilt echter – zoals de rechtbank benadrukt – op een belangrijk punt met de zaak die eerder werd voorgelegd aan de Hoge Raad. Verzoeker spreekt verweerster namelijk aan in haar hoedanigheid van koetsier en niet in haar hoedanigheid van medebezitter. In tegenstelling tot de algemene aansprakelijkheidsverzekering geldt de koetsiersverzekering niet ten behoeve van beide echtgenoten, maar slechts ten behoeve van verweerster. Slechts verweerster is immers, als houdster van het koetsiersbewijs, verzekerd onder de polis. De zaak verschilt derhalve van de zaak die eerder aan de Hoge Raad werd voorgelegd, aangezien de verzekering in de onderhavige zaak niet kleeft aan het bezit van het dier, maar aan de hoedanigheid van koetsier. Het beroep op de uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de niet-toepasselijkheid van de Hangmat-beslissing op de aansprakelijkheid voor dieren, gaat dus niet op. De uitspraak leert dat, wanneer de aansprakelijk gestelde niet wordt aangesproken in de hoedanigheid van medebezitter, een medebezitter aansprakelijk kan zijn voor schade geleden door een andere medebezitter toegebracht door een gedraging van een dier.

Lees verder

asbest asbestverbod, asbesthoudend, advocaat, tips, handhaving

Kansschade bij medische aansprakelijkheid

Op 23 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2987) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het leerstuk ‘kansschade’ in medische aansprakelijkheidszaken. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad duidelijk de maatstaf uiteengezet aan de hand waarvan in zaken van medische aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld of aansprakelijkheid moet worden aangenomen voor een door een patiënt verloren kans op een beter behandelingsresultaat.

Het leerstuk ‘kansschade’

In HR 21 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh (Deloitte/Hassink)) overwoog de Hoge Raad dat de leer van de kansschade ‘geëigend is om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf vaststaande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd’. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen ((HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905, NJ 1998/257, m.nt. P.A. Stein (Baijings/mr. H) en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, NJ 2007/256, m.nt. J.M.M. Maeijer (Tuin Beheer)) of om tijdig een rechtsvordering in te stellen (HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6541, NJ 2007/63) . De leer van de kansschade kan dus worden benut in situaties waarin de onzekerheid gelegen is in de schade. Door een vergelijking te maken tussen de situatie met normschending en de hypothetische situatie zonder normschending kan worden beoordeeld of de gestelde schade veroorzaakt is door de normschending.

Het onderscheid tussen kansschade en proportionele aansprakelijkheid

De Hoge Raad heeft in de eerder genoemde uitspraak uit 2012 een duidelijk onderscheid gemaakt tussen kansschade en proportionele aansprakelijkheid. Laatstgenoemd leerstuk door de Hoge Raad is aanvaard in zijn arrest van 31 maart 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU6092, NJ 2011/250, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Keramus) ). Waar de onzekerheid bij kansschade gelegen is in de schade, is de onzekerheid bij proportionele aansprakelijkheid gelegen in het causale verband tussen de normschending en de schade. De Hoge Raad overwoog dan ook dat de rechtsregel van proportionele aansprakelijkheid uitkomst kan bieden voor sommige situaties waarin ‘onzekerheid bestaat over het condicio-sine-qua-non-verband tussen enerzijds de normschending en anderzijds de (op zichzelf vaststaande of vast te stellen) schade, en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat de schade kan zijn veroorzaakt hetzij door de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, hetzij door een voor risico van de benadeelde komende omstandigheid, hetzij door een combinatie van beide oorzaken’ (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, NJ 2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh (Deloitte/Hassink)) . Hoewel de Hoge Raad beide leerstukken duidelijk van elkaar onderscheidt, wordt er in de literatuur op gewezen dat het niet altijd mogelijk is de leerstukken uit elkaar te houden. In beide gevallen bestaat immers onzekerheid ten aanzien van de hypothetische situatie zonder normschending.

De Hoge Raad over kansschade bij medische aansprakelijkheid

Op 23 december 2016 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de te hanteren maatstaf bij toepassing van de leer van de kansschade in medische aansprakelijkheidszaken (HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987) . De zaak heeft betrekking op een kind dat kort na de geboorte blind is geworden. Op 25 juni 1996 os het kind gecontroleerd op netvliesloslating, maar die onderzoek mislukte omdat de pupillen van het kind niet (meer) wijd waren. Een tweede controle vond plaats op 9 juli 1996. Op grond van de bevindingen van de oogarts bij de tweede controle is toen besloten dat een spoedbehandeling moest plaatsvinden. Ondanks het feit dat op 10 juli 1996 een operatie heeft plaatsgevonden, is het kind uiteindelijk blind geworden.

Gevorderd is een verklaring voor recht dat het Erasmus MC aansprakelijk is voor de door hen geleden schade, alsmede schadevergoeding op te maken bij staat. Het hof heeft overwogen dat de norm waaraan getoetst moet worden bij de beoordeling van de hypothetische situatie dat het kind eerder zou zijn behandeld, niet die van de optimaal handelende oogarts is, maar die van de redelijk handelende en redelijk bekwame oogarts en heeft geoordeeld dat niet een voldoende reële kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan doordat de vervolgcontrole (na de eerste controle op de aanwezigheid van netvliesloslating) niet eerder heeft plaatsgevonden.

De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of voor een patiënt een kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan, eerst dient te worden beoordeeld of is gehandeld in strijd met de norm van hetgeen een redelijk handelen en redelijk bekwaam beroepsgenoot betaamt. Wanneer wordt geoordeeld dat in strijd met deze norm is gehandeld, dient te worden beoordeeld of een causaal verband bestaat tussen het handelen in strijd met deze norm en de gestelde schade. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie zoals die geweest zou zijn als de normschending niet zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de feitelijke situatie dient te worden vastgesteld wat daadwerkelijk is voorgevallen, terwijl het bij de hypothetische situatie gaat om de behandeling die feitelijk zou hebben plaatsgevonden, zij het dat daarbij het uitgangspunt moet zijn dat geen normschending zou hebben plaatsgevonden. In de hypothetische situatie dient, anders dan het hof heeft overwogen, dus niet te worden uitgegaan van de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot. De Hoge Raad heeft in deze uitspraak duidelijk de maatstaf uiteengezet aan de hand waarvan in medische aansprakelijkheidszaken de aansprakelijkheid voor een door een patiënt verloren kans op een beter behandelingsresultaat dient te worden beoordeeld.

Lees verder

letselschade, immateriële schade, shockschade

Immateriële schade van naasten in letselschade

 

Vergoeding van immateriële schade

In letselschadezaken komt naast de materiële schade (zoals het verlies van verdienvermogen, medische kosten die voor rekening van het slachtoffer zijn gekomen, verlies van zelfwerkzaamheid en kosten van huishoudelijke hulp) ook de immateriële schade van het slachtoffer voor vergoeding in aanmerking. Dit volgt uit artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Om te bepalen op welk bedrag aan smartengeld het slachtoffer recht heeft wordt gekeken naar verschillende relevante omstandigheden. Zo wordt rekening gehouden met de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de invloed van het letsel op het dagelijks functioneren van de betrokkene. Ook zijn de aard van aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt van invloed op de hoogte van het smartengeld waarop de benadeelde aanspraak kan maken (Rechtbank Midden-Nederland 14 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5346). Vaak wordt voor de hoogte van het smartengeld aansluiting gezocht bij eerder toegekende bedragen in soortgelijke zaken (Gerechtshof Arnhem 5 juli 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR3964). Daarnaast wordt in de rechtspraak rekening gehouden met de discussie omtrent de hoogte van het smartengeld (de smartengeldbedragen in Nederland zouden te laag zijn) (Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4331 en Rechtbank Midden-Nederland 14 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5346). Voor het smartengeld geldt dat in beginsel slechts het slachtoffer een aanspraak heeft op de aansprakelijke partij dan wel diens verzekeraar. Artikel 6:106 BW vormt namelijk een gesloten stelsel. Hoewel ook naasten emotioneel hinder kunnen ondervinden van het letsel van het slachtoffer, kunnen naasten voor deze schade in beginsel geen vergoeding krijgen. Een uitzondering is gelegen in het geval de schadeveroorzakende gebeurtenis bij een ander dan het slachtoffer shockschade tot gevolg heeft (gehad) en om die reden niet alleen jegens het slachtoffer, maar ook jegens die ander onrechtmatig is gehandeld.

Shockschade van naasten

In het Taxibus-arrest (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (Taxibus)) heeft de Hoge Raad bepaald dat shockschade van naasten voor vergoeding in aanmerking komt. Wel dient aan strenge voorwaarden te zijn voldaan. Ten eerste dient sprake te zijn van een directe confrontatie van de naaste met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden kort nadat de gebeurtenis die tot het overlijden of letsel van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. Ten tweede dient deze confrontatie een hevige emotionele schok bij de naaste teweeg te hebben gebracht. Ten derde dient bij de naaste sprake te zijn van geestelijk letsel. Aan dit laatste vereiste is slechts voldaan indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ten vierde dient de derde met het slachtoffer in een nauwe of affectieve relatie te staan. Indien aan deze vereisten is voldaan heeft de aansprakelijke partij niet alleen onrechtmatig gehandeld jegens het slachtoffer, maar ook jegens de naaste. De naaste heeft dan op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW ) een eigen aanspraak op vergoeding van zowel de immateriële als de materiële schade. Dat ook de materiële schade voor vergoeding in aanmerking komt volgt uit een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (Rechtbank Rotterdam 16 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9882) waarin sprake was van een vader die was geconfronteerd met het stoffelijk overschot van zijn dochtertje en de bebloede lakens die waren gebruikt om zijn dochtertje te bedekken, korte tijd nadat zijn dochtertje op de bewuste plek was aangereden. De vader ontwikkelde een posttraumatische stressstoornis waardoor hij arbeidsongeschikt raakte. Het UWV stelde dat de WA-verzekeraar van de vrachtwagen van de aansprakelijke bestuurder aansprakelijk was voor de kosten die het UWV al had gemaakt en nog zou maken als gevolg van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de vader als gevolg van het ongeval. De rechtbank oordeelde dat het Taxibus-arrest niet alleen ziet alleen op immateriële schade, maar ook op materiële schade zoals het verlies van verdienvermogen. Uitgangspunt is namelijk dat de aansprakelijke partij niet alleen onrechtmatig handelt ten opzichte van het slachtoffer, maar ook ten opzichte van de derde met shockschade. Deze derde (of diens regresnemer) heeft derhalve een eigen aanspraak op grond van onrechtmatige daad, waarbij op grond van artikel 6:95 BW zowel materiële als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Grenzen aan de vergoeding van shockschade van naasten

In een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland (Rechtbank Gelderland 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5852) is duidelijk onderscheid gemaakt tussen shockschade van naasten die wel voor vergoeding in aanmerking komt, en emotionele schade van naasten die niet voldoet aan de vereisten van shockschade en om die reden ook niet voor vergoeding in aanmerking komt. De zaak heeft betrekking op een vrouw die in de nacht in haar woning door verwurging om het leven is gebracht. Het levenloze lichaam van het slachtoffer is gevonden door haar zevenjarige zoontje. Naast het zoontje hebben ook de moeder, broer, zus en ex-partner van het slachtoffer een vergoeding gevorderd van de immateriële schade die zij hebben geleden door de doodslag op hun naaste. Ten aanzien van het zoontje van het slachtoffer oordeelde de rechtbank dat aan de vereisten van shockschade voldaan is en zijn immateriële schade derhalve voor vergoeding in aanmerking komt. Hij is als zoontje van het slachtoffer direct geconfronteerd met het levenloze lichaam van zijn moeder en dit heeft bij hem een ernstige psychische schok teweeggebracht. Daarnaast is bij hem een posttraumatische stress stoornis vastgesteld. Voor de overige eisers geldt dat het feit dat zij voorafgaand aan de dood grote zorgen hadden omtrent haar welzijn en veiligheid, dat de politie ondanks aangiften het misdrijf niet heeft kunnen voorkomen en betrokkene door een misdrijf om het leven is gebracht, gevoelens van verdriet, onbehagen en machteloosheid meebrengen, maar dat dit niet voldoende is om aanspraak te kunnen maken op een vergoeding voor shockschade. De rechtbank verwijst tevens naar een uitspraak van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het niet strookt met de strikte voorwaarden waaraan voldaan dient te zijn om recht te hebben op vergoeding van shockschade om het vereiste van de directe confrontatie met het ongeval of de directe gevolgen van het ongeval vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals het opzettelijk handelen van de aansprakelijke partij, terzijde te stellen of af te zwakken (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583). Slechts indien voldaan is aan de strikte vereisten van shockschade zoals deze door de Hoge Raad zijn geformuleerd, komt immateriële schade van een naaste van het directe slachtoffer dus voor vergoeding in aanmerking.

Lees verder

AantjesZevenberg, letselschade, immateriële schadevergoeding, erfopvolging, aansprakelijkheidsrecht

Het belang van een inzittendenverzekering

Bij het verzekeren van een auto kan men kiezen tussen drie verzekeringen: WA, WA + beperkt casco en WA+ volledig casco. Op grond van artikel 2 WAM is het afsluiten een WA-verzekering verplicht voor de bezitter van de auto en degene op wiens naam de auto staat. Daarnaast kan men een aanvullende verzekering afsluiten, zoals de inzittendenverzekering. In de praktijk blijkt onduidelijkheid te bestaan over het verschil tussen een WA-verzekering en een inzittendenverzekering en blijkt niet altijd helder te zijn waarin de meerwaarde van een inzittendenverzekering ten opzichte van een WA-verzekering gelegen is. Deze onduidelijkheid kan bovendien tot gevolg hebben dat het voor het slachtoffer niet duidelijk is of een inzittendenverzekering is afgesloten op grond waarvan de schade verhaald kan worden of dat slechts een WA-verzekering is afgesloten. Het slachtoffer kan dan met schade geconfronteerd worden die tegen zijn verwachting in niet voor vergoeding in aanmerking komt. Zie bijvoorbeeld de zaak waarover de Rechtbank Midden-Nederland oordeelde op 22 april 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:5847), waarin een vergoeding voor overlijdensschade werd gevorderd en partijen pas op een later moment ontdekten dat geen inzittendenverzekering was afgesloten. Om dergelijke situaties te voorkomen, is het van belang het onderscheid tussen een WA-verzekering en een inzittendenverzekering goed voor ogen te hebben.

De dekking van de WA-verzekering

Ingeval een auto-ongeval letselschade tot gevolg heeft, kan de schade in veel gevallen worden verhaald op een WA-verzekeraar. Indien een auto-ongeval plaatsvindt waarbij bestuurder A en bestuurder B betrokken zijn en waarvoor B aansprakelijk is, kan A de door hem of haar geleden schade veelal verhalen op de WA-verzekeraar van de auto van B. Daarnaast komen de schade van de medepassagiers van A en schade aan voorwerpen die zich ten tijde van het ongeval in de auto van A bevonden, voor vergoeding op grond van de WA-verzekering van B in aanmerking. Ook wanneer sprake is van een eenzijdig auto-ongeval van A, kunnen passagiers de schade vergoed krijgen op grond van een WA-verzekering, namelijk de WA-verzekering van A. Voor passagiers is het, om de geleden schade vergoed te kunnen krijgen, dus niet noodzakelijk dat een beroep kan worden gedaan op een inzittendenverzekering. De verplichte WA-verzekering dekt hun schade immers ook.

De meerwaarde van de inzittendenverzekering

Waarin is dan de meerwaarde van een inzittendenverzekering ten opzichte van een WA-verzekering gelegen? Wanneer sprake is van een eenzijdig auto-ongeval van bestuurder A, kunnen de medepassagiers van A de geleden schade vergoed krijgen op grond van de WA-verzekering van de auto van A. A is namelijk aansprakelijk voor de door hen geleden schade. De schade die bestuurder A zelf lijdt komt echter niet op grond van de WA-verzekering voor vergoeding in aanmerking. Hierin is het belang van het afsluiten van een inzittendenverzekering gelegen. Een inzittendenverzekering dekt de schade van de bestuurder in geval van een eenzijdig ongeval. Een ander voordeel van de aanwezigheid van een inzittendenverzekering is de snelle afwikkeling van de schade. Indien na een eenzijdig ongeval door medepassagiers een beroep wordt gedaan op de WA-verzekering van de bestuurder, zal de procedure veel tijd in beslag kunnen nemen, omdat de toedracht van het ongeval exact dient te worden achterhaald. Indien de bestuurder en de medepassagiers een beroep kunnen doen op de inzittendenverzekering, wordt de schade afgewikkeld zonder dat daarbij aandacht wordt besteed aan de schuldvraag.

De inzittendenverzekering in een deelgeschil

Een mooi voorbeeld van het verschil in afwikkeling is een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (29 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5328). In deze uitspraak staat de vraag centraal of een aanspraak van een passagier op grond van de inzittendenverzekering van de bestuurder in een deelgeschil aan de orde kan worden gesteld. In een deelgeschilprocedure wordt de rechter verzocht te beslissen over een deel van het geschil, bijvoorbeeld de aansprakelijkheid. De rechtbank had eerder (Rechtbank Midden-Nederland 10 augustus 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4610) geoordeeld dat het beroep op een inzittendenverzekering onder de reikwijdte van de deelgeschilprocedure valt, omdat de vordering op grond van de inzittendenverzekering op dezelfde manier getoetst moet worden als de vordering op grond van de WA-verzekering. In het vonnis van 29 september 2016 komt de rechtbank terug op dit eerdere oordeel. Hoewel de vaststelling van schade wel op dezelfde wijze plaatsvindt bij beide soorten verzekeringen, geschiedt de uitkering op grond van een inzittendenverzekering, anders dan de uitkering op grond van een WA-verzekering, namelijk ongeacht de schuldvraag. Tevens kan een benadeelde een verzekeraar op grond van artikel 7:954 BW slechts rechtstreeks aanspreken in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid en staat de deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w Rv. slechts open voor iemand die een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel. Hiervan is bij een beroep op een inzittendenverzekering geen sprake. Deze uitspraak bevestigt het verschil in afwikkeling tussen aanspraken op grond van de twee soorten verzekeringen. De afwikkeling op grond van de inzittendenverzekering verloopt sneller dan op grond van een WA-verzekering en de schuldvraag speelt bij een beroep de inzittendenverzekering geen rol. Deelgeschilprocedures zijn bij een beroep op een inzittendenverzekering dan ook niet aan de orde. (Ingeval er een aansprakelijke tegenpartij bij het ongeval betrokken was, kan een deelgeschil wel op een later moment aan de orde komen, wanneer de verzekeraar nadat de schade van het slachtoffer vergoed is, verhaal neemt op de aansprakelijke tegenpartij.) Bij een beroep op een WA-verzekering kan een deelgeschilprocedure worden benut om een deel van het geschil aan de rechter voor te leggen, bijvoorbeeld de aansprakelijkheid of de mate van eigen schuld. Dan speelt de schuldvraag immers wel een rol bij het recht op uitkering.

Conclusie

Hoewel in veel gevallen de schade na een auto-ongeval vergoed wordt door een WA-verzekeraar (die van de aansprakelijke partij dan wel die van de schadelijdende bestuurder zelf in geval van een eenzijdig auto-ongeval), dient het belang van een inzittendenverzekering niet te worden onderschat. In geval van een eenzijdig auto-ongeval biedt de inzittendenverzekering de bestuurder de mogelijkheid zijn schade vergoed te krijgen. Daarnaast zal de afwikkeling van de schade voor de passagiers sneller geschieden indien een inzittendenverzekering is afgesloten dan wanneer slechts een beroep kan worden gedaan op een WA-verzekering, omdat uitkering in geval van een inzittendenverzekering plaatsvindt zonder beoordeling van de schuldvraag.

Lees verder

AantjesZevenberg, voorwaardelijke ontbinding., ontslag, ontslag op staande voet, Hoge Raad

Aansprakelijkheid wegbeheerder voor voorwerpen op de weg

De uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 heeft betrekking op aansprakelijkheid voor voorwerpen op de weg. In deze uitspraak en de hieraan voorafgaande conclusie van advocaat-generaal Hartlief komt de verhouding tussen artikel 6:174 BW en 6:162 BW aan de orde. (HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283)

Feiten

De feiten waren als volgt. Eiseres is ten val gekomen doordat zij is gestruikeld over een of meer stroomkabels en zij heeft door deze val letsel opgelopen aan haar knieën. Zij heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en heeft haar vordering tot schadevergoeding primair gebaseerd op artikel 6:174 BW, subsidiair op artikel 6:162 BW.

Middel in cassatie

In cassatie richten drie onderdelen zich tegen het oordeel van het hof dat geen aansprakelijkheid van de gemeente bestaat op grond van artikel 6:174 BW. Onder meer wordt gesteld dat het hof had behoren te onderzoeken of de openbare weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen, mede gelet op het feit dat daarop een elektriciteitskast van de gemeente was geplaatst die voorzag in de stroomvoorziening van de naastgelegen markt. Daarnaast is in cassatie een onderdeel gericht tegen het oordeel van het hof dat de gemeente niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Het gaat hierbij om klachten over de manier waarop de Kelderluikcriteria zijn toegepast.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat bij het beoordelen van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW gebruik kan worden gemaakt van de Kelderluikcriteria. Dit volgt uit de wetgeschiedenis (Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 752 (nr. 3)) en is later bevestigd in het Wilnis-arrest (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis). Ten aanzien van het beroep op artikel 6:174 BW oordeelt de Hoge Raad dat de aansprakelijkheid van de wegbeheerder slechts op dit artikel gebaseerd kan worden wanneer het gaat om gebreken die verband houden met de verkeersfunctie van de openbare weg’. ‘De aanwezigheid op een openbare weg van een voorwerp dat niet behoort tot de weg in de zin van artikel 6:174 BW en dat gevaar schept voor personen of zaken, kan niet worden aangemerkt als een gebrek van de weg’. (HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2202, NJ 2002/465 (Rook/Staat)) De aanwezigheid van de stroomkabels op de weg leidt dus niet tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW. De stroomkabels houden immers geen verband met de verkeersfunctie van de openbare weg.

Wanneer aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW niet kan worden aangenomen (bijvoorbeeld omdat de gebreken niet samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg), kan in sommige gevallen een beroep op 6:162 BW uitkomst bieden. Vereist is wel dat de wegbeheerder een verwijt kan worden gemaakt van het niet-nakomen van zijn zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers. Indien de wegbeheerder bekend is met de aanwezig van voorwerpen op de weg, zijn voor de beoordeling van de aansprakelijkheid wederom de Kelderluikcriteria van belang. In de onderhavige zaak oordeelde de Hoge Raad dat de toepassing van de Kelderluikcriteria in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht, omdat het oordeel van het hof hieromtrent verweven is met waarderingen van feitelijke aard.

Meerwaarde artikel 6:174 BW ten opzichte van artikel 6:162 BW

Naar aanleiding van het voorgaande, rijst de vraag wat de meerwaarde is van artikel 6:174 BW ten opzichte van artikel 6:162 BW. Immers, bij beide grondslagen komt het aan op de toetsing aan de Kelderluikcriteria. De conclusie van de advocaat-generaal biedt hier verheldering. Een belangrijk verschil is dat bij de toepassing van artikel 6:174 BW de kwaliteit van een zaak (opstal) centraal staat en bij de toepassing van artikel 6:162 BW het handelen of nalaten van een persoon.

Aangezien artikel 6:174 BW betrekking heeft op risicoaansprakelijkheid, is voor het aannemen van aansprakelijkheid niet vereist dat sprake is van een fout of van schuld van de aansprakelijk gestelde persoon. Dit is wel het geval wanneer aansprakelijkheid gebaseerd wordt op artikel 6:162 BW. Dit verschil wordt van belang in geval van subjectieve onbekendheid met het gebrek dat aan de zaak kleeft. Omdat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW vereist is dat een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek, staat subjectieve onbekendheid met het gebrek bij een beroep op artikel 6:162 BW in de weg aan het aannemen van aansprakelijkheid. Indien de aansprakelijkheid echter wordt gebaseerd op artikel 6:174 BW vormt subjectieve onbekendheid geen beletsel voor het aannemen van aansprakelijkheid.

Ook wanneer niet duidelijk is aan wiens fout of schuld het gebrek te wijten is, heeft artikel 6:174 BW meerwaarde ten opzichte van artikel 6:162 BW. Ongeacht de oorzaak van het gebrek, is het voor de benadeelde namelijk mogelijk de bezitter van een gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk te stellen. Wanneer de aansprakelijkheid echter gebaseerd zou worden op artikel 6:162 BW, was wel van belang geweest dat degene die wordt aangesproken een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek. Aangezien veel opstallen een lange levensduur hebben, kan het lastig zijn te achterhalen wie een verwijt kan worden gemaakt van het gebrek. Artikel 6:174 BW biedt dan uitkomst, doordat volstaan kan worden met te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opstal gebrekkig is, dat de opstal daardoor een gevaar voor personen of zaken oplevert en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Daarnaast stipt de advocaat-generaal terecht aan dat om te bepalen of sprake is van een gebrekkige opstal niet altijd gebruik behoeft te worden gemaakt van de Kelderluikcriteria. De Kelderluikcriteria worden pas van belang wanneer de opstal geschikt is voor haar primaire doel. Wanneer dit niet het geval is, kan het gebrek veelal worden gevonden in de aard van de zaak en hoeft aan toetsing aan de Kelderluikcriteria niet te worden toegekomen.

In de onderhavige zaak had artikel 6:162 BW geen meerwaarde ten opzichte van artikel 6:174 BW. Terecht wijst de advocaat-generaal erop dat de onderdelen 1 tot en met 3, waarin wordt geklaagd dat artikel 6:174 BW ten onrechte niet is toegepast, dus eigenlijk niet van belang zijn. Het maakt voor deze zaak namelijk niet uit of de toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 6:162 BW of in het kader van artikel 6:174 BW. Desondanks heeft deze zaak aanleiding gevormd voor een verhelderende conclusie waarin het belang van artikel 6:174 BW naast artikel 6:162 BW wordt benadrukt en verklaard. De toetsing op grond van de artikelen 6:162 en 6:174 BW kent – door de toepassing van de Kelderluikciteria bij beide artikelen – overlap. Dit neemt echter niet weg dat artikel 6:174 BW de benadeelde in sommige gevallen betere bescherming biedt dan artikel 6:162 BW en dat het gebrekscriterium niet te allen tijde wordt ingevuld door een afweging van de Kelderluikcriteria.

Lees verder

AantjesZevenberg, privacy, zieke werknemer

Verknochtheid van een letselschade-uitkering

Na een echtscheiding dient, indien sprake was van een gemeenschap van goederen, de huwelijkse gemeenschap te worden verdeeld. Aan het Hof ’s-Hertogenbosch werd onlangs de vraag voorgelegd of een (toekomstige) letselschade-uitkering in deze verdeling moet worden betrokken of dat deze vergoeding moet worden aangemerkt als verknocht aan een van de echtgenoten en om die reden slechts die betreffende echtgenoot toekomt. (Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 27 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4284)

Feiten

De feiten waren als volgt. Partijen waren op 29 juni 2007 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Op 9 september 2010 is het verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij het uitspreken van de echtscheiding op 16 maart 2011 is partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap. De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is de datum van ontbinding van het huwelijk, te weten 18 april 2011. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap vormt de (toekomstige) letselschade-uitkering van appellante een discussiepunt. De rechtbank heeft de (toekomstige) letselschade-uitkering aan appellante toegedeeld en appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag ter hoogte van de helft van de aan appellante toegekende en nog toe te kennen schadevergoeding, voor zover de vergoeding ziet op materiële schade die kan worden teruggevoerd op de huwelijkse periode. In hoger beroep heeft appellante een grief gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.

Gemeenschap van goederen

Vanaf het moment van de huwelijksvoltrekking bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen (art. 1:94 lid 1 BW). Uitgangspunt is dat de huwelijkse gemeenschap alle goederen omvat van de echtgenoten die bij aanvang van de gemeenschap aanwezig zijn of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, zijn verkregen (artikel 1:94 lid 2). Een van de uitzonderingen op deze hoofdregel is opgenomen in artikel 1:94 lid 3 BW. In dit artikellid is vastgelegd dat goederen die aan een van de echtgenoten op bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Deze verknochtheidsregel dient restrictief te worden toegepast, omdat verknochte goederen een uitzondering vormen op de hoofdregel dat in beginsel alle goederen in de huwelijkse gemeenschap vallen.

Verknochtheid

Volgens vaste rechtspraak ‘hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.’ (HR 23 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0567, NJ 1989/700, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2470, NJ 1998, 693 m.nt. W.M. Kleijn; HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292)

Letselschadevergoeding en verknochtheid

Ten aanzien van letselschadevergoedingen overwoog de Hoge Raad dat voor het antwoord op de vraag of de vergoeding verknocht is aan een van de echtgenoten en deze verknochtheid zich ertegen verzet dat de vergoeding in de gemeenschap valt, niet reeds bepalend is dat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. De echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept zal ten minste moeten stellen op welke schade(n) van die echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechter kan oordelen over de verknochtheid van de letselschade-uitkering. Hierbij is van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. (HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2008:AX7805, NJ 2008/258, m.nt. L.C.A. Verstappen; HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/143, m.nt. L.C.A. Verstappen)

In beginsel valt een letselschade-uitkering dus in de gemeenschap van goederen. Slechts wanneer bewezen wordt dat de vergoeding ook betrekking heeft op schade die in de toekomst, na de ontbinding van de gemeenschap, als gevolg van het letsel zal worden geleden, kan de letselschade-uitkering buiten de huwelijksgemeenschap vallen, omdat deze op bijzondere wijze aan een van de echtgenoten verknocht is.

Oordeel hof

Voor letselschade-uitkeringen die zijn ontvangen ten tijde van de huwelijkse gemeenschap geldt dat het (in theorie) mogelijk is dat de vergoeding, vanwege verknochtheid aan een van de echtgenoten, buiten de huwelijksgemeenschap valt. Het Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt hieromtrent het volgende: ‘Wel is om tot verknochtheid te concluderen vereist dat aangetoond wordt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, de in geld ontvangen letselschade-uitkering nog te identificeren is, in die zin dat aangetoond kan worden dat de uit hoofde van letselschade-uitkering ontvangen geldsom geheel of althans voor een deel nog aanwezig is. Daartoe is alleen ruimte indien de ontvangen geldsom te midden van het aanwezige geld nog als een afzonderlijk goed is te onderkennen.’ (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4137)

Het oordeel van het Hof ’s-Hertogenbosch is in lijn met de eerdere rechtspraak ten aanzien van verknochtheid van letselschade-uitkeringen. Ten aanzien van de reeds ontvangen voorschotbedragen oordeelde het hof, anders dan de rechtbank in eerste aanleg, dat deze bedragen op het moment van de peildatum niet meer in de gemeenschap aanwezig waren en dus ook niet verdeeld konden worden. Indien de vergoeding slechts niet meer te identificeren was geweest, zou de vergoeding op grond van de eerder genoemde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden wel deel hebben uitgemaakt van de huwelijksgemeenschap. In de onderhavige zaak was de ontvangen vergoeding echter al aangewend voor het betalen van medische kosten en kon de vergoeding dus ook niet meer verdeeld worden. Voor wat betreft het nog te ontvangen gedeelte van de schadevergoeding oordeelde het hof dat appellant er niet in was geslaagd te bewijzen dat de schadevergoeding ook betrekking had op schade die na de echtscheiding, als gevolg van het letsel, nog zou worden geleden. Het hof heeft dan ook, evenals de rechtbank, het nog resterende gedeelte van de letselschade-uitkering toegedeeld aan appellante en appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag ter grootte van de helft van die uitkering.

Lees verder