Cassatieklachten over discrepanties tussen wat in een proces-verbaal van de zitting is opgetekend en de uitspraak van de rechter zijn over het algemeen niet kansrijk.

De vaststelling van hetgeen door of namens partijen ter zitting is verklaard of aangevoerd, is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden getoetst, terwijl de rechter bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting verhandelde niet aan de inhoud van het proces-verbaal is gebonden, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop de beslissing steunt, deze laatste niet zonder meer onbegrijpelijk maakt.[1]

Maar er zijn uitzonderingen. Tamelijk recent[2] heeft de Hoge Raad nog eens bevestigd, dat de rechter in het algemeen bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting verhandelde weliswaar niet gebonden is aan de inhoud van een proces-verbaal van de mondelinge behandeling, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging waarop de uitspraak steunt, die uitspraak niet zonder meer onbegrijpelijk maakt, maar dat neemt niet weg dat er toch sprake kan zijn van een motiveringsgebrek indien de rechter zijn uitspraak doet stoelen op een voorval ter zitting waarvan het proces-verbaal geen bevestiging inhoudt, doch veeleer een vermelding bevat die op het tegendeel daarvan duidt.[3] Dat was volgens de Hoge Raad in de door hem berechte zaak het geval en oordeelde hij tot vernietiging en verwijzing.

In haar conclusie voor laatstgenoemd arrest concludeerde A-G Lückers overigens tot verwerping. Zij zag geen tegenstrijdigheid en zij achtte de uitleg die het hof van het verhandelde ter zitting heeft gegeven niet onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van het proces-verbaal. Aanknopingspunten voor een verdergaande motiveringscontrole waren er niet, aldus de A-G.

De zaak is in cassatie aan de zijde van verweerder behandeld door mr. Zevenberg.

De uitspraak is hier te vinden.

[1] Vaste rechtspraak: zie o.m. HR 2 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2881, NJ 1999/656 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2 en HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425, rov. 3.3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/265 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/75.
[2] HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1160.
[3] Met verwijzing naar zijn eerdere uitspraken van 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9898, rov. 3.4 en 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, rov. 3.3.5.