T 070 - 390 62 60
AantjesZevenberg, cassatieadvocaat, cassatie, Telefoonabonnement met “gratis” toestel,2e, BW art. 3:41, BW art. 7:57 lid 1 sub c, BW art. 7A:1576, consumentenkrediet, gratis toestel, koop op afbetaling, partiële nietigheid, prejudiciële vragen, telefoonabonnement, Wck art. 1 su b a

Bovenwettelijke uitkering en transitievergoeding

Recht op een bovenwettelijke uitkering en daarom geen recht op transitievergoeding? Dat hoeft niet het geval te zijn, zo leert een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag.

Werkneemster is docente in het voortgezet onderwijs. Na een burn out en mislukte pogingen tot reïntegratie bij de werkgever wordt werkneemster in het derde ziektejaar bij een andere school gedetacheerd. Dit gaat goed, waarop haar aansluitend een dienstverband wordt aangeboden. Haar werkgever vat dit dienstverband op als een ontslag op eigen verzoek en maakt nog voor haar indiensttreding alvast een akte ontslag op eigen verzoek op. Werkneemster is het daarmee niet eens en schrijft dit ook de school, waarop de werkgever een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek bij de kantonrechter indient, met als grondslag: verstoorde verhoudingen.

Beide partijen waren het snel eens over de grondslag: de verstoorde verhouding lag daarmee wel vast. De kwestie draaide om de vraag of de school transitievergoeding moest betalen. De school beweert dat er geen recht bestaat op een transitievergoeding, omdat de cao een bovenwettelijke WW kent (artikel 2 WOVO). Het overgangsrecht bepaalt dat er geen cumulatie tussen deze al voor de inwerkingtreding van de WWZ bestaande cao voorzieningen en de transitievergoeding mag ontstaan. Het standpunt van werkneemster is even eenvoudig als doeltreffend: Als er al sprake is van cumulatie, dan is dat cumulatie van twee keer niets: geen bovenwettelijke WW (andere baan) en geen transitievergoeding (Overgangsrecht).

De kantonrechter is het met de werkneemster eens. De omstandigheid dat werkneemster geen recht heeft op een WW-uitkering omdat zij een nieuwe baan heeft brengt mee dat moet worden geoordeeld dat zij thans geen recht kan doen gelden op de bovenwettelijke uitkering en zij dus geen recht heeft op vergoedingen of voorzieningen als bedoeld in artikel XXII lid 7 WWZ. De door werkgever naar voren gebrachte mogelijkheid dat dit recht in de toekomst kan ‘herleven’ in het geval werkneemster haar baan op korte termijn kwijtraakt doet zich thans niet voor en maakt het voorgaande dan ook niet anders. Ook de omstandigheid dat werkneemster inmiddels ander werk heeft staat aan toekenning van een transitievergoeding niet in de weg, nu de wet deze door de werkgever verdedigde koppeling niet maakt. Aan werkneemster wordt een transitievergoeding toegekend.

Binnenkort volgt de uitspraak over de vraag of de werkgever terecht een akte ontslag op eigen verzoek heeft opgemaakt. Wordt vervolgd.